Terugblikkend op hetgeen Benedictus
zegt over het gebed menen wij te mogen besluiten:
Sint
Benedictus is trouw aan de oud-monastieke oproep tot voortdurend gebed. Overal
vinden wij de sporen van de traditionele gebedsleer van zijn grote voorgangers,
vooral Evagarius en Cassianus.
Het getijdengebed in de regel is als een
bruggehoofd in de monastieke dag; het ondersteunt het voortdurende gebed van de
monnik. Het volgen van het regelmatige ritme van het getijdengebed leidt tot
toppunten van het contemplatief gebed.
Gebed en leven zijn in de regel
heel nauw met elkaar verweven tot een geheel. Dit blijkt vooral uit het feit
dat de gesteltenis van het hart en de houdingen van het lichaam tijdens het
gebed en daarbuiten (bij de arbeid en de omgang met de broeders) dezelfde zijn.
Het gebed overschrijdt de grenzen van het gebed in de liefde tot Christus, tot
broeders, tot alle mensen.
Vandaar dat het leven 'onder een regel en
een abt' (RB 1,2) een oefenschool is voor het gebed, een gebedsmethode die het
hele leven insluit. Het is een gezonde en evenwichtige gebedsmethode die de
monnik tot eenheid brengt, hem waarlijk tot ‘monachos’ maakt en hem
binnenvoert in de ruimte van Gods liefde. Daar vindt hij ten diepste zichzelf,
de mensen en de wereld terug.
Uit:
‘Bidden met Benedictus’, Korneel Vermeiren, Monastieke Cahiers
nr. 16, p.162 en 163