De vroege monniken zeggen dat de monnik in zijn gevecht met de negen hartstochten een toestand van apatheia moet bereiken. Voor ons klinkt dat eerder als een leven zonder hartstocht. Maar de monniken bedoelen hiermee niet het afsnijden van de pathe, van de hartstochten, maar de vrijheid van ziekelijke verplichtingen tegenover de hartstochten.
Evagrius Ponticus, een belangrijke schrijver van het oosterse
monnikendom (345-399) noemt de toestand van apatheia de gezondheid van de ziel. Hij kan haar identificeren
met de liefde. Een monnik die de
apatheia bereikt heeft, heeft de kracht van de hartstochten in zijn
leven geïntegreerd. Hij heeft ze niet afgesneden. Afsnijden leidt altijd
tot ziekte. Alleen integratie maakt mensen gezond. Integratie maakt mensen in
staat tot een liefde, die niet vermengd is met andere emoties, zoals
bezitsdrang of onderdrukte agressie.
(...)
Een hartstochtelijke spiritualiteit beperkt zich niet tot het gebed of meditatie. Ze wil het hele leven omvatten. Daarom wil ik enkele aspecten noemen die door spiritualiteit een andere kwaliteit krijgen. Voor Benedictus is spiritualiteit, die hij ook aan de monniken aanbeveelt, altijd een geaarde spiritualiteit. Dit komt concreet tot uitdrukking in de manier waarop de monniken met de dingen van de wereld omgaan, met hun gereedschap, hoe ze werken en bidden, hoe ze met de mensen omgaan en hoe ze hun leven vormgeven. Het is geen spiritualiteit die achter een bureau wordt ontworpen en zich alleen in het denken afspeelt. Ze geeft vorm aan deze wereld en wordt zichtbaar in alle facetten van het leven.
Uit: Anselm
Grün
Hartstocht. Leven met spritualiteit