Wij hebben jullie geleerd dat elke ziel, ook al draagt zij
een vracht zonden, beladen is met ondeugd, verstrikt in verleiding, onvrij in
vervreemding, gekerkerd in het vlees, vastgekleefd aan het slijk, weggezakt in
de modder, geketend aan de ledematen, gekluisterd door zorgen, gefolterd door
moeilijkheden, benauwd door vrees, gepijnigd door smart, verdoold op
dwaalwegen, ten prooi aan angstige kommer, verontrust door achterdocht en
tenslotte vreemdeling in een vijandig land zoals de Profeet dat zegt (Ex.
2,22), onrein als de doden en gerekend onder hen die in de hel zitten (Bar.
3,11), ik zeg jullie dat elke ziel, hoe verworpen en wanhopig ze zich ook
voelt, toch iets in zichzelf kan ontdekken waardoor ze niet alleen kan
herademen in hoop op vergeving, in hoop op erbarmen, maar zelfs iets waardoor
zij mag streven naar de bruiloft met het Woord en zij niet bang hoeft te zijn
een verbond met God aan te gaan, er niet voor moet terugschrikken het zoete juk
van de liefde te dragen samen met de Koning van de engelen.
Wat zou zij niet veilig aandurven bij Hem met wiens beeld zij zich getooid ziet en met wiens gelijkenis zij zich gesierd weet? Wat zou zij vrezen van zijn majesteit als haar oorsprong haar alle vertrouwen geeft? Haar enige zorg dient er slechts in te bestaan de adeldom van haar natuur in een eerbaar leven te bewaren; of liever, er zich op toe te leggen de hemelse schoonheid die oorspronkelijk in haar aanwezig is, met de mooie kleuren van deugden en affecties te decoreren.
Want waarom zou haar vlijt insluimeren? God zelf toch is in ons de grote gave van de natuur en als Hij zijn aandeel in ons zou verminderen, zou al het andere dat de natuur ons meegaf in verwarring geraken en als het ware geheel bedekt worden met de roest van verval. En dat zou toch een belediging zijn voor Hem die ons maakte! Daarom juist wilde onze Maker, God zelf, dat het goddelijk insigne van onze adel bestendig in de ziel bewaard zou blijven opdat de ziel te allen tijde in zichzelf iets van het Woord zou aantreffen, om zo met dat Woord verbonden te blijven of ernaar terug te keren als zij er zich van verwijderd heeft. Het terugkeren van de ziel is haar toekeer naar het Woord, om door dat Woord te worden hervormd en daaraan gelijkvormig te worden. Hervormd, waarin? In de liefde. Er staat immers geschreven: 'Weest navolgers van God zoals geliefde kinderen past en leef in liefde zoals Christus jullie heeft liefgehad.' (Ef. 5,1-2).
Deze gelijkvormigheid huwt de ziel met het Woord
met wie zij reeds van nature gelijkenis vertoont. Bovendien toont zij gelijkenis
van wil door te beminnen zoals zij bemind wordt. Wanneer zij dus volkomen
bemint, is zij gehuwd. Wat is heerlijker dan zo’n gelijkvormigheid? Wat
is te verkiezen, o ziel, boven de liefde waardoor je niet blijft steken bij
menselijke leiding maar vol vertrouwen mag naderen tot het Woord, je
voortdurend aan dat Woord mag hechten, in allerlei zaken dat Woord persoonlijk
mag consulteren zodat je verlangen even stoutmoedig wordt als je verstand kan
vatten? Ja echt, dat is de spirituele en heilige verbintenis van een huwelijk.
Met verbintenis zeg ik eigenlijk te weinig: het is een omhelzing. Een hechte omhelzing is het wanneer hetzelfde willen en hetzelfde niet-willen twee geesten één maakt. Men hoeft niet te vrezen dat het verschil tussen de personen (God en mens) enigerlei afbreuk zal doen aan de eenstemmigheid van wil, want liefde kent geen ontzag. Liefde komt van liefhebben, niet van ontzag hebben. Ontzag past bij iemand die schrik, verbazing, vrees of bewondering voelt, maar bij iemand die bemint zijn dergelijke gevoelens vreemd. Liefde heeft genoeg aan zichzelf en waar zij binnenkomt overstijgt zij alle andere gevoelens en legt er beslag op. Daarom is iemand die bemint alleen maar iemand die bemint en verder weet hij van niets. Zelfs God die alle eer, ontzag en bewondering toekomt, houdt er toch meer van bemind te worden.
Die twee zijn bruidegom en bruid. Welke andere behoefte
of band wil je zoeken tussen bruidegom en bruid dan te beminnen en bemind te
worden? Deze band is sterker dan die de natuur gelegd heeft, de band tussen
ouders en kinderen. Daarom staat er ook 'dat een man vader en moeder zal
verlaten om zich te binden aan zijn bruid'. (Mt. 19,5).
Zeker, aan
God komt alle eer en glorie toe (1Tim.1,17) maar geen van beide zal God
aanvaarden als ze niet gezoet zijn door de honing van de liefde. En deze
volstaat op zich, behaagt in zichzelf en om zichzelf. Zij is haar eigen
verdienste, haar eigen loon. De liefde zoekt buiten zichzelf geen motief, geen
vrucht. Haar vrucht is haar praktijk. Ik bemin omdat ik bemin. Ik bemin om te
beminnen.
Sint Bernardus, abt van
Clairvaux (†1153)
Uit: de 83ste toespraak op het Hooglied,
1-4
(vertaling: broeder Guerric Aerden ocso, abdij Maria Toevlucht,
Zundert)