Laten de oversten, als richtsnoer voor de gehoorzaamheid van hun onderdanen, de geloften nemen die hun lippen hebben uitgesproken. De oversten mogen hun onderdanen wel aansporen om meer te doen, maar zonder hen daartoe te dwingen. En zo nodig kunnen ze ook, samen met hen, tot groter soepelheid overgaan, mits ze niet met hen tot verslapping vervallen.
Laat de onderdaan overigens wel beseffen, dat een gehoorzaamheid die beperkt blijft binnen de nauwe grenzen van de beloften, onvolmaakt is. Want de volmaakte gehoorzaamheid kent geen wet en wordt door geen grenzen omsloten. De volmaakte gehoorzaamheid is niet tevreden met het keurslijf van de professie, maar werpt zich met heel haar wezen in de ruimten van de liefde. Bij alles wat haar wordt opgelegd let zij niet op de maat van de plicht, maar spontaan, en met de kracht van een edelmoedig en blij hart, reikhalst zij naar onbegrensde vrijheid.
Typerend zegt de apostel Petrus van haar: ‘Zuivert uw harten in de gehoorzaamheid van de liefde.’ Door deze woorden zondert hij haar voortreffelijk af van die futloze en slaafse gehoorzaamheid, die niet uit liefde klaar staat, maar uit noodzaak onderdanig is. Het is de liefde van de rechtvaardige voor wie de wet niet geldt. Niet omdat hij zonder wet zou moeten leven, maar omdat hij niet wettisch wil zijn. Daarom is hij helemaal niet tevreden met de gelofte van welke professie ook, maar wil hij, door zijn innerlijke overgave, veel verder.
Overigens spreekt ook de Regel zelf hier over. Wanneer hem onmogelijke dingen worden opgelegd, raadt de Regel een broeder aan om vertrouwend op de hulp van God te gehoorzamen uit liefde. In dezelfde Regel wordt de derde trap van nederigheid aldus beschreven: Dat de monnik zich in alle gehoorzaamheid aan zijn overste onderwerpt.’ Door te zeggen ‘alle’ gehoorzaamheid, wil de Regel dat wij bij het gehoorzamen niet tevreden zijn met de maat die binnen de professie besloten ligt. En dat we niet letten op wat beloofd en dus plicht is, en evenmin de draagwijdte van ons contract tot norm nemen, maar de Regel wil dat we met een blij hart zelfs boven de gelofte uitgaan, en in alles gehoorzamen.
Er is wel een grens gesteld aan de gehoorzaamheid: een grens in de tijd –namelijk het einde ervan. De gehoorzaamheid heeft dezelfde grens als het leven. Deze grens blijkt vooral uit het voorbeeld van de eniggeboren Zoon van God, die de Vader gehoorzaam is geworden tot de dood
Bernardus van Clairvaux
Uit:
Over Voorschrift en Dispensatie 11-12