Laat ons daarom in ‘s hemelsnaam tijdens onze
pelgrimstocht door dit leven, gedurende onze strijd op deze aarde, geen huizen
bouwen om in te wonen maar tenten waarin we kamperen (Jer. 35,9-10). We zullen
toch weldra van hier weggeroepen worden om te migreren naar het vaderland, naar
onze woonstee en onze eeuwige verblijfplaats (Pr. 12,5). Hier zijn we in een
legerplaats en strijden we op vreemde bodem. Wat natuurlijk is, is makkelijk,
maar het vreemde kost moeite. Is het voor een kluizenaar niet makkelijk, komt
het niet tegemoet aan zijn natuur en is het niet overeenkomstig zijn geweten om
voor zichzelf een kluis te bouwen met vlechtwerk van tenen, bestreken met leem
en een dak erop? Daarin kan hij dan behoorlijk wonen. Wat kan men verder nog
meer verlangen?
---
Ik weet niet welke naam hen gegeven kan worden die
waardig genoeg is: hemelse mensen of aardse engelen. Ze leefden op aarde, maar
hadden hun conversatio in de hemel. Ze werkten met hun handen (1) en met hun
arbeid voedden ze de armen terwijl ze zelf honger leden. Vanuit het hart van de
woestijn bevoorraadden ze de gevangenissen in de stad. Ze onderhielden zieken en
allen die in één of ander opzicht behoeftig waren, terwijl ze
leefden van het werk van hun handen zoals ze ook door handwerk hun huizen
bouwden.
---
Daar toch (2) vormt zich de bewuste ziel, daar wordt het
heilzame inzicht geboren voor wie dit betrachten (Ps. 111,10). Daar worden wij
in alles onderricht, naar de regel die de apostel ons gaf, hoe ons te gedragen
als dienaren van God (3): in groot geduld, beproevingen en nood, in
benauwdheden, arbeid en nachtwaken, verankerd in de cel in vasten en kuisheid,
in onderscheiding, lankmoedigheid en zachtmoedigheid, in de heilige Geest, in
ongeveinsde liefde, in woorden van waarheid, in Gods kracht. Gewapend met
gerechtigheid ter linker- en ter rechterzijde, in aanzien en in geringheid,
eerloos en met een goede reputatie, bedriegers die de waarheid spreken,
onbekenden die iedereen kent, op sterven na dood en zie wij leven, getuchtigd
maar niet den dode, treurig en altijd blij, berooid maar alles bezittend en
velen rijk makend (2Kor. 6,4-10), in arbeid en moeite, in honger en dorst, in
koude en naaktheid (2Kor. 11,27).
(1) Labore manuum:
tot driemaal toe gebruikt Willem deze zinsnede. Het gaat er hem dus om de
broeders van de Berg Gods duidelijk te maken dat ze leven moeten van het werk
van hun handen, conform de Regel van Benedictus. Dat is tenminste het ideaal.
(2) In het innerlijk.
(3) De vorming van de animus of de bewustmaking
van de anima is allereerst een zaak van de innerlijkheid. Toch wordt dit
gedragen door een niet te onderschatten praktijk van christelijke deugden die
radicaal ingaan tegen de ons omringende cultuur: zachtmoedigheid tegenover een
agressieve houding, kuisheid tegenover een geërotiseerde sfeer, aandacht
en geduld tegenover onmiddellijk resultaat en waarheid in plaats van glitter en
schijn. Wie deze vorming in de school van Jezus aandurft, wordt een bewust
iemand, dit wil zeggen een verlicht mens. Hij zal de grote paradoxen leven
waarmee Willem in de geest van Paulus dit caput besluit. Het paradoxale wordt
zijn levensruimte. Met niets of niemand kan hij nog worden
geïdentificeerd, tenzij met Jezus Christus.
Uit: De Gulden Brief, Willem van
Saint-Thierry
capita 151, 158 en 214