In de serie PASSIO spreek ik over de
krachten in mij die mij doorgaans aanvankelijk van God verwijderen,en die juist
hunkeren naar hun oorspronkelijke ordening naar God toe.
Hebben
Hebzucht maakt niet gelukkig, dat wordt in
alle tijden heel duidelijk aangevoeld. Degenen die het gemakkelijkst sober
kunnen leven, zullen zich de rijkste mensen achten. Want weinig nodig hebben is
beter dan veel bezitten. (Regel van Augustinus III,5) Aan deze aloude
wijsheid van Augustinus (430†) mag in onze dagen de bekende uitspraak van
Gandhi (1948†) worden toegevoegd: De aarde biedt voldoende om ieders
behoefte te bevredigen maar niet ieders hebzucht. Vaak zit ik met mijn
hebzucht mijn eigen geluk en dat van anderen in de weg. Dat wordt in deze
uitspraken tamelijk duidelijk en doorgaans voelen we dat uit onszelf ook al
feilloos aan. In deze PASSIO wil ik de hebzucht daarom op een andere manier
benaderen. Ik wil de hebzucht bevragen op zijn verdienste: hoe kan de drang tot
hebben mij juist op weg helpen naar God? Van nature streven we naar wat beter
is, nooit zijn we ergens tevreden mee, aldus Bernardus van Clairvaux: Neem
bijvoorbeeld een man die een mooie vrouw heeft. Die kijkt dan met
brutale blikken of gedachten naar een nog mooiere vrouw. Wie dure kleren draagt,
zet zijn zinnen op nog duurdere kleren, wie grote rijkdom bezit, is jaloers op
een nog rijkere. Er zijn geen grenzen. Is het dan vreemd dat mensen geen rust
kunnen vinden voordat ze het hoogste of beste hebben bereikt? (God
liefhebben 18). Waar volgens Bernardus het hoogste en beste te vinden is zal wel
duidelijk zijn. Alleen in God is rust te vinden – maar het is dan wel onze
rusteloze hebzucht die geen rust kent die ons naar God toe leidt, als onze
hebzucht tenminste niet onderweg ergens blijft steken.
Maar is het niet wat
hebberig? Je kunt God toch niet ‘hebben’? Het is frappant hoe er in
de liefde vaak wordt gesproken over het elkaar willen hebben. Wie naar een
romantische film kijkt, kan van een huisgenoot te horen krijgen Hebben ze
elkaar al? Een vraag met een knipoog, maar er zit iets dieps in
verscholen. Elkaar hebben is elkaar volkomen toebehoren. In de Regel van
Benedictus klinkt dat haast huiveringwekkend. Wie monnik wil worden, moet al
zijn bezittingen uitdelen. Dat is nog te begrijpen, een monnik heeft geen eigen
bezit. Maar Benedictus doet er expres een schep bovenop door te zeggen hij
houdt niets voor zichzelf, want hij weet dat hij vanaf die dag zelfs geen macht
meer heeft over zijn eigen lichaam (RB 58,25). Dat klinkt wat eng, maar
het krijgt al gauw een warme klank in de cisterciënzer spiritualiteit die
in het Hooglied zoveel herkenning vond van de eigen ervaring met God. Hier kan
de hebzucht er volop zijn, maar dan ook werkelijk volop en voluit, rusteloos
voortzoekend totdat het hart rust vindt in de verzuchting: Mijn Beminde is
van mij, en ik ben van Hem (Hooglied 2,16).
Broeder Alberic