Klein Kapittel

Juni 2010


Het paadje

Een van de leukste dingen van vakantie is het om paadjes te ontdekken. ‘Kijk een paadje – waar zou het naartoe gaan?’ Zo ontdekte ik tijdens een wandelvakantie langs de kust van Bretagne een paadje dat in een heel smal trappetje overging, steil naar beneden langs een steile, tamelijk hoge rotskust. Voorover bukkend zag ik dat het naar een klein plateau midden op de rotswand leidde. Er kon daar precies één persoon staan, veilig omheind door een reling. ‘O, ik kom nog weleens zo’n paadje tegen’, dacht ik bij mezelf en ging verder. Het wandelavontuur was pas begonnen en het vuur van ‘verder, verder’ zat er nu eenmaal nog teveel in. Terwijl ik wegliep van het rotspaadje voelde ik al een onheilspellende spijt opkomen. Een akelige nagalm van de stem die me zei: ‘Blijf toch, ga toch naar beneden, ga even zitten daar, tussen hemel, aarde en zee in!’ Er was niets aan ted oen: de andere stem, de stem van de ezeldrijver, had harder geklonken en had het gewonnen.

Op mijn verdere tocht werd ik tot mijn afgrijzen grotendeels van de kustweg gehouden. Geen rotskusten meer. Het ene landgoed na het andere hield dekust strook in privé‐handen. Daar liep ik dan over de weg, met mijn rugzak zwaar op me wegend. Auto’s raasden langs me. Een platgereden adder leek de enige, minder prettige ongerepte natuur die ik nog tegenkwam. Hoe ziellozer de route werd, hoe meer het Pad Naar Beneden met schrijnend grote hoofdletters zich begon te roeren in mij. Waar was ik aan voorbij gelopen? Wat zou er gebeurd zijn als ik naar beneden was afgedaald? Wat was ik misgelopen? Het werd bijna een obsessie. Jaren later, tot op heden eigenlijk, is dat paadje voor mij tot een soort van symbool geworden. Wat er gebeurd zou kunnen zijn als ik afgedaald was, is eigenlijk wel duidelijk. Wat gebeurt er met een theologiestudent die het zich gunt om op een stukje rots te zitten, bungelend tussen een onmetelijke oceaan onder zich en nog onmetelijker hemel boven zich? Dan blijft er niets over dan God. Dat ik dat paadje aan me voorbij liet gaan, had daar waarschijnlijk mee te maken. Niet eens het vermijden van het naar beneden gaan. Een prachtige onuitwisbare ervaring opdoen, religieus of niet, is voor een jonge toerist alleen maar aantrekkelijk. Nee, het enge waar ik aan voorbij was gelopen, had waarschijnlijk vooral te maken met het weer naar boven komen. Om zo vanuit een in God versmolten hemel en aarde tevoorschijn te komen. Om het land op te klauteren als een nieuw wezen in de evolutie dat overal God zou zien in zich en om zich heen. Om als een blote kwetsbare Adam die als eerste van allen de schepping mag zien, zomaar uit Gods hand komend, met God bijna tastbaar aanwezig, het paradijs in te lopen. Al wordt het paradijs genoemd en klinkt het aantrekkelijk om er binnen te gaan, bedenk dan daarbij wel: één onbekend paadje ontdekken is leuk. Ronduit bedreigend wordt het om de wereld te beleven als het paradijs, het koninkrijk van God, waar je van geen enkel paadje weet waar het op uit loopt. Alleen de weg van God opent zich voor je, met een zicht op de weg tot hooguit één voetstap voor je uit, zonder verdere routebeschrijving vooraf. Nee, dan is voortsjokken met een zware rugzak met een brandende zon op je toch beter. Dan weet je, al is het zwetend en zwoegend, waar je aan toe bent, waar je heengaat, wat je volgende doel is.

‘Kijk een paadje – waar zou het naartoe gaan?’ Die ontdekkersvreugde van een avontuurlijke vakantieganger ken ik nog steeds wel, al komt haast onvermijdelijk het besmuikte gevoel van wat ik die ene keer misliep erachteraan hobbelen. Daar valt mee te leven, vooral nu ik, als monnik, eigenlijk nooit meer echt ‘opvakantie’ ga. Wat erger is, is dat ik dit paadje elke dag tegenkom. En voortsjok. Nog even dit, nog even dat, er komt nog wel zo’n gelegenheid. Ja ja. Wanneer leer ik eindelijk eens vakantieganger te worden. Vakantie te nemen, vacare zoals het in het Latijn heet. Vacare Deo. Vrij zijn voor God. Is dat nu echt zo doodeng? Nee, echt doodeng is het als ik mezelf zie als voortsjokkend, voortsjokkend,voortsjokkend tot mijn laatste ademtocht.

Broeder Alberic

< terug naar het overzicht

armoede, gehoorzaamheid, zuiverheid Cisterci&eumlnzergroep Sion