Is het lente of is het al zomer? In
deze Paastijd wordt geloven voor een mens makkelijk gemaakt nu het leven
tevoorschijn springt, zeker op dagen dat de zon vanuit een blauwe hemel
koesterend haar stralen om ons heen laat spelen. In deze zalige lente gaan
samen met de bloembollen en boomknoppen ook al onze zintuigen als vanzelf open.
God lijkt binnen bereik, we hoeven maar te ruiken, kijken, luisteren, tasten,
proeven.
Terwijl ik zo rondloop duikt in mijn herinnering een tekst op
van Augustinus die ik deze winter las. Augustinus spreekt er over de innerlijke
mens. Voor Augustinus kan de innerlijke mens iets van God kunnen ervaren, 'daar
waar voor mijn ziel de lichtglans fonkelt'... Het is een tekst die ik in de tot
bezinning oproepende winterdagen al heel erg mooi vond. In deze verrassend mooie
lente lijkt deze innerlijke mens op te rijzen als uit een lange winterslaap. Ik
laat jullie graag meegenieten. Het gaat om een mijmering uit de Belijdenissen
van Augustinus.
Wat heb ik lief, wanneer ik u liefheb? Geen schoonheid
van een lichaam, geen luister van de tijd, geen lichtglans die mijn aardse ogen
lief is, geen heerlijke melodieën van gevarieerd gezang, geen aangename
geur van bloemen, reukwerken en specerijen, geen manna en geen honing, geen
ledematen die welgevallig zijn aan de omhelzingen van het vlees: deze dingen
zijn het niet die ik liefheb, wanneer ik mijn God liefheb.
En niettemin
heb ik zo iets als een licht lief, zo iets als een stemgeluid, zo iets als een
geur, zo iets als een spijs en zo iets als een omhelzing, wanneer ik mijn God
liefheb, die licht is en stemgeluid en geur en spijs en omhelzing van mijn
innerlijke mens, daar waar voor mijn ziel die lichtglans fonkelt, die door geen
plaats bevat wordt, daar waar die klank weerklinkt, die door geen tijd wordt
weggerukt, daar waar die geur hangt, die door geen wind verstrooid wordt, daar
waar die smaak bestaat, die door geen gretig eten wordt verminderd, daar waar
die omhelzing wordt gegeven, die door geen verzadiging losraakt.
Dat is
het wat ik liefheb, wanneer ik mijn God liefheb.
Augustinus Confessiones
X,6,8 (vert. Wijdeveld)
Broeder Alberic