Hoe zou Benedictus gesproken hebben in de taal van onze
tijd als hij nu even terug zou komen? Ik weet het niet. Ach, hoe graag zou ik
eens in een hoekje met hem willen samen zitten en van hem horen hoe hij alles
wat hij in zijn Regel schreef zelf heeft beleefd en bedoeld. Laat ik eens een
poging wagen en een scenario schrijven voor een sketch.
Stel je voor.
Twee jonge monniken hebben een oude broeder bereid gevonden om voor de H.
Benedictus te spelen. Ze gaan naar hem toe. 'Vader Benedictus, allereerst onze
hartelijke dank dat wij u zomaar mogen interviewen, helemaal super! We hebben
een brandende vraag. U schrijft in uw Regel dat het leven van een monnik
eigenlijk altijd zou moeten zijn als in de Veertigdagentijd, de tijd van
voorbereiding, dus vóór Pasen. Wij vinden dat eigenlijk maar
raar. Wij zijn ervan overtuigd dat als u uw Regel anno 2010 zou herschrijven,
dat u er dan van zou maken: het leven van een monnik zou eigenlijk altijd
moeten zijn als in de Paastijd! Wijzelf zouden daar tenminste erg voor
zijn!'
Twee vriendelijke ogen kijken de jonge monniken aan van boven
de grote witte baard. 'Broeders, wat ben ik blij met deze vraag van jullie',
zegt Benedictus dan, 'want ik heb wel in de gaten dat deze uitspraak lang niet
altijd begrepen of gewaardeerd werd. Eindelijk kan ik eens uitleggen wat ik
bedoelde toen ik dat schreef. Jullie weten volgens mij heel goed wat het is om
hevig verliefd te zijn. Je probeert dan voortdurend bij je geliefde te zijn, en
in de cyberspace van je hart en ziel ben je dan al bij je geliefde, dag en
nacht. Zo is het ook met de monnik in de Veertigdagentijd.
Eigenlijk
leeft hij al met hart en ziel in de Paastijd. Als je verliefd bent, heb je
nergens anders meer belangstelling voor. Zo ook de monnik die ingelogd is op de
Paastijd. Wie echter uitgelogd raakt, de verbinding met Pasen kwijtraakt, gaat
manieren zoeken om zich wat op te peppen door middel van allerlei andere
dingen. Dan ga je het bijvoorbeeld in teveel eten en drinken zoeken – of
juist te weinig! Feitelijk is ons lijf ingesteld op wat het nodig heeft. Teveel
of te weinig is altijd een kwestie van de geest van de mens. Wie ingelogd is,
leeft met zijn geest al in eenheid met de Verrezen Heer, in Gods eenheid, en
ziet en beleeft een stralende wereld.'
Daar worden de jonge monniken wel
wat stil van. 'Al klinken uw woorden erg aantrekkelijk, we kunnen toch in alle
eerlijkheid niet zeggen dat we deze ervaring kennen', zeggen ze dan. En
Benedictus antwoordt: 'Dat is precies de reden waarom het leven van de monnik
altijd moet zijn zoals in de Veertigdagentijd: om zó te leven dat je die
ervaring voor jezelf mogelijk maakt. Maar kom, lieve broeders. Het is nu
Paastijd! Hier hebben we naartoe geleefd al die veertig dagen lang. Nu mag je
genieten van alles – niet meer als opvulling van een innerlijke leegte,
maar omdat alles doorstraald is van Paaslicht. Met de verrezen Heer is heel de
schepping in een nieuw licht komen te staan. Dat is geloof. Leven als in de
Veertigdagentijd is leven in dat geloof, op zo’n manier dat het geloof
levende werkelijkheid wordt. En nu, nu het Paastijd is, mag je een beetje
pootje baden in dat nieuwe licht, uitproberen wat je er al van hebt meegekregen
en doorleefd hebt … Zalig Pasen!'
Broeder Alberic