Mensen die buiten de kloostermuren leven en die
‘cisterciënzer leken’ genoemd worden. Abdijen die dat serieus
nemen. Wie had daar ooit van gehoord? De Cisterciënzergroep Sion lijkt
nieuw, is ook nieuw. Toch staat de CGS in een lange traditie van relatie tussen
monniken en niet-monniken in de orde. Al snel na het ontstaan van de orde werden
er lekenbroeders binnengehaald. Bijna negen eeuwen lang leefden monniken en
lekenbroeders als twee communiteiten in één klooster.
Lekenbroeders waren echt leken, al zagen ze er uit als monniken. Ze werkten in
dienst van het klooster, droegen een bruin habijt en lieten hun baard groeien.
Pakweg vijftig jaar werd de scheiding tussen beide communiteiten opgeheven en
worden er geen nieuwe lekenbroeders meer aangenomen. In 1995 stierf bij ons de
laatste lekenbroeder, broeder Vitalis. Bij de monialen bestonden er
lekenzusters.
Ridders die leefden als monniken, zoals de befaamde
tempeliers, zou je de eerste ‘cisterciënzer leken’ kunnen
noemen. Bernardus van Clairvaux schreef een geschrift ter ondersteuning van de
tempeliers. De Spaanse ridderorde van Calatrava werd door de
cisterciënzers erkend en als dochterhuis behandeld. Deze ridderorden
bestaan nog steeds. Van de zusters van Calatrava, gesticht om te bidden voor de
ridders, bestaan nog twee communauteiten.
Zo valt er nog meer bijeen te
sprokkelen. Rond sommige kloosters ontstonden lekenkringen (Port Royal,
Aduard). De colligatie van Sibculo bestond uit kloosters die sterk
beïnvloed waren door de lekenspiritualiteit van de Moderne Devotie. De
Bernardinnen zetten zich actief in voor zieken. Lekenwerknemers en
lekenvrijwilligers, soms heel nauw verweven met het leven van de communiteit,
zijn er eigenlijk altijd geweest en spelen ook heden ten dage vaak een
belangrijke rol. Het klooster van Roscrea in Ierland, waar ik op dit moment
verblijf, heeft zelfs een organiste in loondienst!
De cisterciënzer
familie, zo wordt de hele wolk van mensen genoemd die het cisterciënzer
charisma hebben ontdekt, en er op de een of andere manier doortrokken van zijn.
Daartoe horen ook de cisterciënzer lekengroepen zoals de CGS. Hoe werkt dat
uit op de anderen, zo’n nieuw kindje in de cisterciënzer familie? De
situatie lijkt voorlopig te zijn dat de cisterciënzer lekengroepen tijd en
ruimte krijgen om op te groeien en hun eigenheid & identiteit te
ontwikkelen, en dat de monniken 'gewoon doorgaan'. Althans, dat was mijn
indruk. Maar schijn bedriegt. Eind vorige maand was ik op de Nederlandstalige
Regionale Vergadering, waar vrijwel alle cisterciënzers van de lage landen
samenkomen. Ik mocht daar een inleiding geven op de bespreking van het document
'De identiteit van de cisterciënzerleek', dat in 2008 in Huerta door de
cisterciënzerleken is opgesteld. Ik vertelde daar over de relatie met
leken in verleden en heden zoals ik hier in dit Klein Kapittel heb beschreven.
Ik vertelde over de spannende zoektocht naar een uitdrukkingsvorm van het
cisterciënzer charisma in het leven van een christengelovige die buiten de
kloostermuren leeft. Pas daarna begon tot me door te dringen dat er door de CGS
ook iets met mijzelf is gebeurd. Voor mij is mijn eigen eigenheid als
cisterciënzer monnik helderder geworden. Ik merkte dat bij het maken van
de nieuwe websites, www.abdijsion.nl en www.sionline.nl. Wat moest er op die
websites komen? Ik hoefde er niet over na te denken. De antwoorden kwamen als
vanzelf. Niet bedacht, maar bezield – tenminste, zo voelde dat voor mij.
Achteraf besef ik: dat het zo makkelijk ging, kwam voor een groot deel door de
CGS. Heerlijk om zo helder en zuiver te weten wie je bent. CGS, dank jullie
wel.
Broeder Alberic