Een onzichtbare kovel... is dat niet even
lachwekkend als de kleren van de keizer? Nee, zoals de kovel van de monnik laat
zien waar de monnik voor staat, wie hij is, zo laat de onzichtbare kovel jou
zien zoals je bent: in je gewone kleren, in je gewone doen. Op het moment dat
ik dit schrijf heb ik al verschillende onzichtbare kovels mogen uitreiken. Het
is onderdeel van het simpele ritueel van de afsluiting van het monasticaat. We
lezen het wijdingsgebed, de persoon in kwestie vertelt van de weg die hij of
zij is gegaan, en dan volgt de bekleding met de onzichtbare kovel... Zo volgen
we de dynamiek van de monastieke professie, in de hoop dat de aanstaande
slotleden deze dynamiek gaan herkennen en hun eigen vorm ervoor vinden, binnen
hun gewone leven buiten de muren. Waar hebben we het dan over? Luisteren we
naar wat Adalbert de Vogüé (1924), de grootste kenner van de Regel
van Benedictus, over de monastieke professie zegt:
'Deze verbintenis is niet maar een gewone daad van menselijke wil,
maar een werk van genade dat zijn oorsprong en zijn doel heeft in God. Het is
de Geest van God die de postulant naar het klooster heeft geleid. Het is zijn
Woord, tegelijk oproep en norm, dat de geprofeste heeft gebracht tot zijn
opdracht en zijn verwachting. De goddelijke belofte omgeeft die van de
mens.'
Wat een machtige, prachtige, krachtige woorden! Je ziet de
monnik van zijn voetstuk afstappen, voor zover hij daar op was gezet. Het grote
onderscheid tussen monniken en gewone mensen verschroeit in het vuur van alleen
al dat ene simpele woord: genade. Wie God als zijn oorsprong en doel herkent, is
monnik, zou je kunnen zeggen. Of staat minstens op gelijke voet met een monnik.
Daarentegen, wie monnik is geworden en zich buiten het spel van Gods genade
plaatst, wordt niet omgeven door de goddelijke belofte, maar heeft een habijt
dat werkelijk net zo lachwekkend of deerniswekkend is als de kleren van de
keizer. Zijn professie is geen werk van genade, maar hij bekleedt zich met 'een
gewone daad van menselijke wil'. Dat kan nauwelijks als schaamlap
dienen...
Dit alles zet de boel trouwens wel op scherp. Want welke weg
ga ik? Wie de drempel overgaat van de gewone menselijke wil naar dat pad van
God waarvan slechts de eerste voetstap te zien is, stapt een andere wereld in.
Hij bevindt zich dan op een weg die in God begint en eindigt, een weg waarop
Gods Geest hem leidt, waar geen ander licht is dan het Woord, dat als een licht
op zijn pad voor hem uitgaat, terwijl de goddelijke belofte hem omgeeft als een
onzichtbare kovel. Muren vallen weg tussen wie zich binnen en buiten de muren
bevinden van het klooster. Het wordt niet eens meer zo makkelijk om te zeggen
wie er binnen en wie er buiten de kloostermuren leeft. Want wie deze weg gaat,
mag zich in de stad Gods weten, in het Sion, waar geen muren zijn, maar waar
God als een vuur ons omgeeft: 'Ikzelf zal voor haar wezen, is de tijding van de
ENE, een muur van vuur rondom,– en tot gloria zal ik wezen in haar!'
(Zacharia 2,5) Moge dat ons als een goddelijke belofte omgeven, als een
onzichtbare kovel...
Broeder Alberic