Klein Kapittel

Januari 2010


Bekleed met genade

Een onzichtbare kovel... is dat niet even lachwekkend als de kleren van de keizer? Nee, zoals de kovel van de monnik laat zien waar de monnik voor staat, wie hij is, zo laat de onzichtbare kovel jou zien zoals je bent: in je gewone kleren, in je gewone doen. Op het moment dat ik dit schrijf heb ik al verschillende onzichtbare kovels mogen uitreiken. Het is onderdeel van het simpele ritueel van de afsluiting van het monasticaat. We lezen het wijdingsgebed, de persoon in kwestie vertelt van de weg die hij of zij is gegaan, en dan volgt de bekleding met de onzichtbare kovel... Zo volgen we de dynamiek van de monastieke professie, in de hoop dat de aanstaande slotleden deze dynamiek gaan herkennen en hun eigen vorm ervoor vinden, binnen hun gewone leven buiten de muren. Waar hebben we het dan over? Luisteren we naar wat Adalbert de Vogüé (1924), de grootste kenner van de Regel van Benedictus, over de monastieke professie zegt:
'Deze verbintenis is niet maar een gewone daad van menselijke wil, maar een werk van genade dat zijn oorsprong en zijn doel heeft in God. Het is de Geest van God die de postulant naar het klooster heeft geleid. Het is zijn Woord, tegelijk oproep en norm, dat de geprofeste heeft gebracht tot zijn opdracht en zijn verwachting. De goddelijke belofte omgeeft die van de mens.'

Wat een machtige, prachtige, krachtige woorden! Je ziet de monnik van zijn voetstuk afstappen, voor zover hij daar op was gezet. Het grote onderscheid tussen monniken en gewone mensen verschroeit in het vuur van alleen al dat ene simpele woord: genade. Wie God als zijn oorsprong en doel herkent, is monnik, zou je kunnen zeggen. Of staat minstens op gelijke voet met een monnik. Daarentegen, wie monnik is geworden en zich buiten het spel van Gods genade plaatst, wordt niet omgeven door de goddelijke belofte, maar heeft een habijt dat werkelijk net zo lachwekkend of deerniswekkend is als de kleren van de keizer. Zijn professie is geen werk van genade, maar hij bekleedt zich met 'een gewone daad van menselijke wil'. Dat kan nauwelijks als schaamlap dienen...

Dit alles zet de boel trouwens wel op scherp. Want welke weg ga ik? Wie de drempel overgaat van de gewone menselijke wil naar dat pad van God waarvan slechts de eerste voetstap te zien is, stapt een andere wereld in. Hij bevindt zich dan op een weg die in God begint en eindigt, een weg waarop Gods Geest hem leidt, waar geen ander licht is dan het Woord, dat als een licht op zijn pad voor hem uitgaat, terwijl de goddelijke belofte hem omgeeft als een onzichtbare kovel. Muren vallen weg tussen wie zich binnen en buiten de muren bevinden van het klooster. Het wordt niet eens meer zo makkelijk om te zeggen wie er binnen en wie er buiten de kloostermuren leeft. Want wie deze weg gaat, mag zich in de stad Gods weten, in het Sion, waar geen muren zijn, maar waar God als een vuur ons omgeeft: 'Ikzelf zal voor haar wezen, is de tijding van de ENE, een muur van vuur rondom,– en tot gloria zal ik wezen in haar!' (Zacharia 2,5) Moge dat ons als een goddelijke belofte omgeven, als een onzichtbare kovel...

Broeder Alberic

< terug naar het overzicht

armoede, gehoorzaamheid, zuiverheid Cisterci&eumlnzergroep Sion