“Op 1 oktober 1989 heb ik professie gedaan.” Zo heet dat in spreektaal. Om die spreektaal zo op papier te zien, is wel even schrikken. Wat oerlelijk is het eigenlijk! Het ik staat zo centraal, en een plechtige professie is toch geen doe-ding! Minder in het oog springend is de lelijkheid van de verleden tijd. Alsof de professie iets is wat op een bepaald tijdstip is gebeurd. Ooit, ergens in de vorige eeuw. Kwam er daarna ook nog wat? Of is het echt iets uit de oude doos? Beter zou zijn om te zeggen: “Sinds 1 oktober 1989 ben ik geprofest”. Daaruit spreekt meer een doorgaande beweging op zijnsniveau. De professie is hier ook geen doe-ding van het ik meer. Het komt van twee kanten. De kern van de professie ligt in het ‘Ja, dat wil ik’. Bij de professie wordt mij gevraagd: Wil je monastiek leven? Mijn antwoord is dan: Ja, ik wil! Professie ‘doen’ is antwoord geven, instemmen, beamen, ja zeggen op die vraag.
Daarbij blijft nog buiten beeld tegen wie ik ‘ja’ zeg. Bij de ritus van de professie zie je de abt en de broeder tegenover elkaar staan. De abt vraagt, en de broeder antwoordt. De toeschouwer is geneigd te denken alsof de broeder ‘ja’ zegt tegen de abt. Pas later, als de broeder de oorkonde van zijn professie voorleest, zal blijken dat de professie slechts gedaan was ‘in aanwezigheid van de abt’. De broeder zegt ‘ja’ tegen God. Dat is de basis van zijn leven. Uit de vragen waarop hij ‘ja’ zegt blijkt dat zijn jawoord op God niet in de lucht blijft hangen. Met zijn ‘ja’ geeft hij aan dat hij een monastiek leven wil. Heel concreet.
Als de professie definitief, ‘plechtig’ is, ontvangt de broeder daarna de monnikswijding. Wie lid van de CGS wordt, maakt in de introductieles kennis met het wijdingsgebed van de monnikswijding. Verderop in het vormingstraject wordt de kennismaking met dit wijdingsgebed verdiept tot en met de hele ritus van de professie. Een vraag horen, ja zeggen en een wijding ontvangen. Dat zijn de drie grote stappen van de ritus. Wie door deze ritus heengaat, is een toegewijde geworden.
Het roept vragen op bij mij. Wat is er met mij gebeurd, toen in de vorige eeuw? Ben ik sindsdien monnik? Of was ik dat al? Of moet ik het eigenlijk nog worden? Dierbare broeders en zusters, in de komende Kleine Kapittels wil daar op voortborduren. Want het is duidelijk dat geprofest zijn en monnik zijn niet samenvallen. Iemand kan geprofest zijn en nauwelijks nog monnik genoemd worden. En andersom. Het is het jawoord tegen God dat ons bindt. De vorm waarin is van minder belang…
Broeder Alberic