Klein Kapittel

September 2009


Klein Feestkapittel voor PN 50

Gelukkig de mensen die sterk zijn in U, met de pelgrimsweg in het hart.
Van kracht tot kracht gaan zij voort om op Sion voor God te verschijnen. Psalm 84

Na vijftig maal Pelgrimsnieuws slaan we onze eerste mijlpaal met een special over pelgrimeren. Hoever zijn we gekomen? In mijlen of kilometers gerekend kan het niet heel ver zijn, want onze pelgrimsroute is slechts vuistgroot: ons eigen hart. Ik zinspeel natuurlijk op het pelgrimslied van de CGS, de psalmverzen 84,6.8, waar gesproken wordt over de “pelgrimsweg in het hart”. De naam ‘Pelgrimsnieuws’  vindt in die psalmverzen haar oorsprong. Gek eigenlijk, om het pelgrimsbeeld te gebruiken voor de cisterciënzer spiritualiteit die heel bewust juist zo honkvast is. Maar hoe honkvast ook, net zoals ons hart staat ook ons leven niet stil. De pelgrimsweg in het hart gaat alsmaar door. Hoe ver kunnen we daar komen in ons eigen hart? Ons fysieke hart mag dan slechts vuistgroot zijn, het is tegelijk zo wijd als God zelf, want we zijn in dat hart op weg om “voor God te verschijnen”.

We gaan voort, om op Sion voor God te verschijnen. Maar o hemel, wat als dat gebeurt!? Wat te doen als we aankomen? Hoe verder, als we mogen beleven dat ons hongerig verlangen ons niet langer voortjaagt, op zoek om tot vervulling te komen, ooit en ergens? We weten het antwoord al: zolang het om God gaat zal dat in dit leven niet gebeuren, nooit of nergens zijn. Nooit of nergens zal ons verlangen tot vervulling kunnen komen, want God is eindeloos oneindig. Dat lijkt volstrekt logisch, een theologisch sluitende redenering. God is altijd groter dan ons hart en het is zelfs de vraag of na ons bestaan in dit ondermaanse ons verlangen ooit tot vervulling zal komen. Misschien is eeuwig leven juist wel dat eeuwig dynamische zoeken. Misschien staat op de hemeldeur een groot vraagteken, met aan ons de vraag of we daardoor heen durven, het eeuwig mysterie van God, van de Liefde in.

Ons pelgrimshart heeft echter een andere logica dan de theologie. En niet alleen ons hart, ook God zelf houdt zich niet aan de wetten van de logica zoals wij die kennen. Dat wij als schepsels logischerwijs per definitie onvervuld moet blijven lijkt niet altijd op te gaan. Opeens kan het gebeuren dat er van onvervuldheid geen sprake meer is. Wat als we dat serieus nemen? Durven we het aan om het ten volle te beleven als plotseling dat eeuwig onvervulde hart van ons, tegen alle logica in, overloopt van ongekende volheid? Dat we voor ons gevoel niet anders kan dan toegeven dat we op dat moment van de vervulling proeven? Op zo’n moment vindt een echte omkeer plaats. De ‘ik’ die zich verlangt te vullen met ‘God’ valt opeens op zijn nederigste plekje, helemaal opgenomen in God. Misschien is het juist die omkering waardoor we ons tegen deze ervaring verzetten? Hoe dan ook, onze pelgrimsweg in het hart lijkt vanaf dat moment op te houden. Vanaf hier is het niet meer onze weg die we gaan. Voortaan is het God die met ons op weg gaat. Verder pelgrimeren op ons eigen weggetje, verder gaan met dat eenzame avontuur, zou nog slechts uitstelgedrag betekenen, niet willen aanvaarden wat er met ons is gebeurd. Het is tijd voor feest vieren, dankbaarheid, rust, sabbat. En dan deze nieuwe pelgrimstocht oppakken waar wij met God meebewegen, en drommels goed weten wanneer we van die weg afraken en er weer ons eigen weggetje van maken.

Die nieuwe pelgrimage lijkt meer lijkt op de traditie van de Ierse monniken die van de peregrenatio Christi hun leefstijl maakten. Zij waren niet zozeer hongerig en verlangend onderweg naar aankomst op een bepaalde plek, maar verlieten huis en haard en vaarden eenvoudigweg op het kompas van de Christus door Wie ze zich gevonden voelden en die hen nu uitstuurde, naar waar de Geest hen zou heen bewegen.

Moet een mens voor zo’n pelgrimage wegtrekken van huis en haard? Moet de monnik zijn klooster uit? Nee, zoiets kan ook in het eigen leven, in een monastiek geïnspireerd leven buiten de kloostermuren of in het stille kloosterleven binnen de kloostermuren. “Naarmate men echter voortgang maakt in het monniksleven en in het geloof, verruimt zich het hart en snelt men met een onuitsprekelijk blije liefde voort” (Regel van Benedictus, Proloog 49). De pelgrimsweg in ons eigen hart verruimt zich, en krijgt aansluiting op een netwerk, we komen terecht in de eindeloze ruimte van het Hart dat alle harten verbindt, omvat, leven geeft.

Op Sion voor God verschijnen wordt een visioen dat er anders uitziet. Het is geen eenzaam avontuur meer van ‘God en ik’. Samen daar verschijnen betekent ook dat we er naar omzien dat er geen mens meer is die genegeerd wordt en wegkwijnt in de berm. “Volstrekt niets stellen zij boven Christus, die ons allen tezamen tot het eeuwig leven moge geleiden” (Regel van Benedictus 73,11-12). Nee, er zal geen eenzame pelgrim meer rondlopen die eigenlijk alleen maar in zichzelf loopt te dwalen. Samen op Sion verschijnen gaat betekenen dat wij ons door elkaars hart laten aanspreken, dat we ons elkaar in het hart laten zien en dat we elkaars hand weten te vinden, en dat we ons mee laten nemen op het ritme van Gods hartenklop. Stop. Nee, niet die hartenklop, die gaat door! Het is wel hoog tijd voor een halt aan deze woordenstroom, die op de praktijk van het leven een beetje ál te ver begint vooruit te lopen. Toch, ik kan het niet laten om erover te spreken. Zoals gezegd: ons mensenhart is maar klein, en tegelijk zo wijd open naar elkaar en naar de Eeuwige. Laten we de pelgrimstocht verder wagen, te beginnen in ons eigen hart, en vandaar uit verder: ons laten verbinden met elkaar in het netwerk van het grote goddelijke Hart dat alle mensen verbindt.

Wie weet hoe ver we daar met de CGS gekomen zijn als we toe zijn aan onze volgende mijlpaal, PN 100 …

Broeder Alberic

< terug naar het overzicht

armoede, gehoorzaamheid, zuiverheid Cisterci&eumlnzergroep Sion