Wat een afstand ligt er tussen het evangelie
en het hedendaags Nederland! Ook het habijt en de sandalen die ik draag
vermogen geen echte brug te slaan, hoewel het in de buurt komt van de Bijbelse
kledij. Het hart van het evangelie komt daarentegen steeds dichterbij. Juist
door het verschil in cultuur tussen Nederland anno nu en de Bijbelse cultuur
van toen komt de kern bloot te liggen. Althans, ik spreek nu voor mijzelf. Het
evangelie van de tweede zondag van de Veertigdagentijd staat wellicht nog het
meest ver af van ons hedendaagse gewone leven. Vanuit het vlakke land, de lage
landen, het neder-land, neemt Jezus drie van zijn leerlingen mee de berg op, in
de traditie 'de Tabor' genoemd, om er geheel alleen te zijn. Bovengekomen begint
Jezus opeens te stralen. Niet alleen voor de vlaktebewoners van het huidige
Nederland was dat haaks op al het gewone. Zelfs op het moment dat het gebeurde
leek het voor de leerlingen iets onwerkelijks waar ze zich geen raad mee
wisten.
En toch kan het verhaal zo ontzettend dichtbij komen als je het
leest vanuit je verlangen naar God. Licht, overschaduwende wolk, een stem: het
zijn beelden die het hart van de goede verstaander raken en openbreken, en
daarmee het hart van de werkelijkheid doen openbreken, zelfs onze Hollandse
hedendaagsheid. Lezen vanuit je verlangen naar God... hoe doe je dat? Dat
vraagt om uitleg waartoe ik niet in staat ben. Laat ik gewoon maar wat
proberen. De 'verheerlijking op de berg', de 'transfiguratie op de Tabor' - het
is zonder meer mijn favoriete verhaal. Van het verhaal begrijp ik nog steeds
niet veel. Steeds minder, als het erop aankomt. Het maakt me gewoonweg
reuzeblij als dit evangelie gelezen wordt. Een feest van God, zogezegd, waar de
link tussen God en Jezus, tussen God en mens, zo ontzettend duidelijk is dat het
ervanaf straalt en in vonken rondspat en zo ook de mens die dit verhaal hoort in
gloed zet. ‘Hè hè. Eindelijk. We zijn er.’ Het soort
woorden dat je bijna onwillekeurig zegt zodra je de top van een flinke heuvel
of berg bereikt. Ze passen bij dit verhaal. De aarde nog maar slechts in de
vorm van een topje onder je voeten, verder sta je helemaal in de hemel -
terwijl er niets zo aards en stevigs is als juist een berg, dus zweverig word
je er niet van. Eindelijk God. God optimaal. Hier en nu in dit leven. In mijn
leven. Zo is het boven op de Tabor. Bij Jezus zitten en tegelijk bij God.
Zó kan God stralen in ons mens-zijn, mijn mens-zijn. Langzaam durf ik
het in mijzelf gewaar te worden als een mogelijkheid en mag ik het tegelijk al
een beetje ontdekken in mijzelf, in anderen, om mij heen. Er is maar
één werkelijkheid, God.
Waarom wordt dit verhaal van de
Tabor ergens in het begin van de Veertigdagentijd verteld? Er zijn veel
geleerde redenen voor te geven. Mijn reden zou zijn: gewoonweg de blijheid die
me overvalt zodra dit verhaal in zicht komt. Pasen is hier niet ver. En de
Veertigdagentijd? Die vliegt voorbij op dit verhaal dat vleugels geeft. En die
Nederlandse hedendaagse werkelijkheid? Ach, moet ik het daar nog over hebben...
Moraal van dit verhaal is toch vooral: laat je niet dichtslibben, zoek in het
evangelie de zuivere berglucht op van een leven in God en van God in jou. Dan
opent zich zelfs die hardnekkige Hollandse werkelijkheid tot in haar ziel. Al
geef ik grif toe: de verborgen werkelijkheid die God is, slibt gauw weer dicht.
Leven met die ene werkelijkheid van God is alle eeuwen door trouwens al lastig
geweest. Juist daar staat de bijbel, het evangelie inclusief, vol van. Als het
weer dichtslibt, ga dan op je slibsels staan. Ga erop staan als op onze
vertrouwde Hollandse bodem, die tenslotte voor een groot deel uit slibsels van
zee en rivieren bestaat. Laat je slibsels de bodem zijn voor bloeiende
godsvrucht die met beide benen op de grond staat, middenin de Nederlandse
cultuur anno nu. Dat wil zeggen: terwijl je voluit beseft hoe ver je er van af
staat, middenin Gods ene werkelijkheid leven.
Broeder Alberic