Van gemeenschapsmonniken, 'cenobieten', denkt men tegenwoordig dat ze sterk op elkaar betrokken zijn en met regelmaat diepgaande geestelijke gesprekken hebben. Kluizenaars zien velen nog steeds als eenzame lieden die in een hutje op de hei leven zonder ooit een mens te zien. Terugkijkend op de traditie klopt daar niet zoveel van. Diepgaande contacten tussen cenobieten waren in veel periodes van de geschiedenis zelfs volstrekt uit den boze, terwijl kluizenaars vanaf het begin elkaar opzochten voor openhartige geestelijke gesprekken. De eerste cisterciënzers waren even sterk geïnspireerd door het kluizenaarsleven als hun tijdgenoten, de kartuizers. Het bracht hen ertoe om weg te trekken uit verstrengelingen met de machtigen der aarde.
De
eenzaamheid zochten de cisterciënzers niet, zoals de kartuizers, in een
cel. De stilte diende hen tot kluis. Ook toen de orde groeide tot hele
massa’s monniken leefden de broeders in stilte samen, waardoor ieder bij
zichzelf kon zijn. Stilte betekende: niet praten, want stil was het niet
– er werd voortdurend gebouwd en er was waarschijnlijk meer lawaai van
watermolens, smederijen en dergelijke dan wij ons nu kunnen indenken. Bij die
kluizenaarsinspiratie hoorde heel sterk dat de kluisdeur van de stilte open kon
gaan naar elkaar toe. Bij de cisterciënzers stond men open voor geestelijke
openhartigheid, zelfs vriendschap als dat ontstaan mocht. De stap van
cisterciënzer kloosterleven naar de Cisterciënzergroep Sion is van
hieruit niet zo groot. Samen staan we in een traditie van een in stilte en
vriendschap met elkaar verbonden gemeenschap.
Broeder Alberic