Op de agenda van het Generaal Kapittel stond onder
andere ‘de rol van de abt/abdis’. In vijftien groepjes van ongeveer
twaalf personen werd daarover uitgewisseld. In de schriftelijke verslagen
stonden soms heerlijke, eerlijke en haast hilarische uitspraken zoals:
‘De overste staat middenin snel veranderende situaties: ik sta met beide
voeten op de grond, maar één voet gaat de ene kant op en de
andere voet de andere kant…’ Mijn eigen bijdrage, een persoonlijk
verhaal van enkele minuten, werd door de secretaris van mijn groep, een
Amerikaanse zuster, treffend maar bijna onherkenbaar samengevat als: ‘Een
ruimte van aanwezigheid ontwikkelen waar de overste en de broeder/zuster
samenzijn in de aanwezigheid van God.’ Zo gaat dat: wat eerst levende
uitwisseling was, wordt tot een ingedikte uitspraak op papier.
In de plenaire zitting, in een zaal met ongeveer tweehonderd mensen, heb ik het oorspronkelijke verhaal verteld, omdat iemand ernaar vroeg, maar ik merkte: het heeft eigenlijk geen zin meer – het proces gaat verder. Ook bij mij. Nu ik zo de verslagen teruglees herken ik wat ik zeggen wilde bij anderen, maar vooral in deze uitspraak: ‘De communiteit is als de met aarden potten omhulde lampen van Gideon (zie Rechters 7,16v en 2Kor. 4,7): alleen aan het einde, als de omhulling wordt weggenomen, zullen we de pracht van elke broeder en zuster zien. Het is belangrijk te geloven in het licht daarbinnen, ook al kunnen we het niet zien.’ Ons ervan bewustzijn dat we elk een aarden pot zijn, en beseffen dat die aarden potten, hoe mooi of lelijk ze ook zijn, niet de uiteindelijke werkelijkheid zijn: dat kan wonderlijk uitwerken. Het kan ons openen voor de aanwezigheid van God, en dan kan het gesprek pas echt beginnen – als je zo samen stil wordt.
Broeder Alberic