Als je gal
als voedsel krijgt toebedeeld,
en je voor je dorst azijn krijgt,
breng je
dan te binnen
dat Jezus dergelijke dingen ondergaan heeft.
Gilbert van
Hoiland (cisterciënzer uit de 12e eeuw)
Gal en azijn op je menu… dat is duidelijk niet letterlijk bedoeld, maar wil een beeld zijn voor dingen moeten ondergaan die, zacht gezegd, minder prettig zijn. De spreuk van Gilbert leent zich prima voor een dooddoener: iemand heeft het slecht en dan zeg je dat Jezus ook dergelijke dingen ondergaan heeft. Daar zal die ander dan vast van opfleuren? Nee, die kans is heel klein. De boodschap die je ermee doorgeeft als je de spreuk op die manier gebruikt is veeleer: hou nu maar je mond en zeur niet meer zo, Jezus heeft het nog veel erger gehad dan jij.
De klank van een uitspraak als deze is bij de cisterciënzer
auteurs geheel anders, niet vergelijkbaar. Het is bij hen helemaal gekleurd
door een haast onbegrijpelijke liefde voor Jezus, voor alles wat Jezus als mens
heeft beleefd. Een liefde die wat begrijpelijker wordt als je weet dat ze in het
vuur van de ontdekking van de eeuw zaten dat juist dit mens-zijn van Jezus de
opstap is naar delen in zijn goddelijk leven. De aardse Jezus helemaal op de
voet volgen was voor hen als het ware de weg naar het goddelijke leven
teruggaan, de weg die hij gegaan was naar ons, aardse wezens, toe.
Gal
en azijn moeten slikken, oftewel ‘dingen die je op je levenspad tegenkomt
en die je enorm tegenstaan’ moeten slikken, veranderen van karakter als je
ze beleeft in het licht van wat Gilbert zegt. Sterker nog: of je nu gal en azijn
(onaangename zaken dus) toebedeeld krijgt of brood en wijn (prettige dingen); in
het voetspoor van Jezus komt alles wat je meemaakt als mens in één
stroom terecht van een leven waar geluk een betekenis krijgt die niet meer te
vatten is, omdat je gaat voelen hoe dichtbij het goddelijk leven is. Dat wat
voor een tijdje prettig of (zeer) onprettig is, krijgt een glans over zich heen
die je uittilt naar iets wat niet meer tijdelijk kan zijn, zo voelt dat. Zodra
je je niet meer bevangen laat door wat gal en azijn, of brood en wijn bij je
teweeg brengen, geef je jezelf die kans: te merken dat God zó dichtbij
kan zijn in alles wat je overkomen kan, dat je het haast niet geloven
wilt.