Ergens op een afgelegen, onbewoonde zandplaat temidden
van uitgestrekte veenmoerassen neerstrijken en een leven beginnen van eenvoud
en gebed. Zulke dingen zie ik graag. In 1406 deden enkele broeders uit een
broederhuis dat. Hun broederhuis in Mariënberg was nog maar drie jaar
geleden gesticht, in de geest van de moderne devotie, maar ze wilden meer
eenzaamheid. Zo kwamen ze terecht op die zandheuvel, ergens onder Hardenberg,
Sibculo geheten, ‘een woeste en alleronvruchtbaarste woestijn’.
Later werd Sibculo een bloeiend klooster, maar voor mij zijn die primitieve
jaren van het begin de bloeiperiode van Sibculo – die primitieve jaren
van het begin. De naam Sibculo zal het PN-lezerspubliek wellicht nog bekend
voorkomen: in PN32 stond een klein artikeltje over de presentatie van een boek
erover.
Voor mij roept de naam Sibculo aanlokkelijke vergezichten op. Allereerst zoals ze daar begonnen in de wildernis in alle eenvoud. Het past helemaal in de cisterciënzer traditie om zo te beginnen. Het bleek een vruchtbare tijd. Er ontstond daar in Sibculo na enige jaren een hele kloostergemeenschap die nauw verweven was met de moderne devotie en de Sallandse spiritualiteit. Het klooster werd in 1412 opgenomen in de cisterciënzer orde. Enkele jaren later ontstond er binnen de orde een heel verband van kloosters dat deze mengvorm kende van moderne devotie en cisterciënzer spiritualiteit, en dat als variant van de cisterciënzer traditie tot 1580 heeft bestaan.
Een variant met duidelijke ‘poldertrekjes’: De kloosters zouden geen abdijen worden, maar altijd priorijen blijven. In alles, voeding, kleding, observantie, waren de prioren gelijk aan de overige broeders. Bij de jaarlijkse visitatie moest eerst en vooral onderzocht worden, of de prior in functie mocht blijven ofwel diende ontslagen te worden. Verzocht het grootste deel van het convent om zijn afzetting, dan geschiedde dit ook. De broeders werden eveneens aangespoord hun prior, rechtstreeks of zijde-lings, te vermanen. Men wilde ‘ingesloten leven’, op de wijze der kartuizers. Monniken zowel als lekenbroeders zouden allen de-zelfde witte of grijze kleren dragen. Sallandse cisterciënzers dus. Kostbaar erfgoed dat naar mijn aanvoelen voor ons, de CGS, van groot belang is, omdat de moderne devotie een echte lekenspiritualiteit was.
Broeder Alberic