Ik verlangde met mijn liefste in opperste verrukking een te zijn, aldus Hadewych in een van haar teksten. Van Hadewych weten we heel weinig. De gangbare opvatting was dat zij een begijn was, maar stemmen gaan op dat ze evenzogoed een cisterciënzerin geweest zou kunnen zijn. Duidelijk is in ieder geval dat ze spiritueel gezien in de cisterciënzer traditie staat waarin geloven een persoonlijk liefdes-avontuur met God is.
Ze verlangt met haar liefste in opperste
verrukking één te zijn. Ze wil hem volkomen doorgronden en
voelen. Net als de cister-ciënzers kijkt ze naar het menszijn van Jezus
als weg om tot God te komen. Het één zijn waarnaar ze verlangt is
allereerst: ze wil als mens gelijk aan Christus zijn, menszijn zoals Christus
mens was. In haar taal heet dat in alle opzichten zijn menszijn met mijn
menszijn ervaren. Merkwaardig genoeg voegt ze daaraan toe: en daarin stand te
houden en me sterk te maken niet te bezwijken… Stand houden, sterk maken,
niet bezwijken… Is de verrukking zo sterk? Ja, ze mag alles van Hem in God
genieten, en daar is ‘stand houden, je sterk maken, niet bezwijken’
nodig.
Maar het is ook nodig voor wat ze evenzeer van Hem krijgt te
horen: Voel je mèns in alle tekortkomingen die bij de mensheid horen.
Aan alle ellende die bij de mensheid hoort heb Ik me blootgesteld toen Ik als
mens leefde. Ik zal je de verrukking geven je één te voelen met
Mij wanneer je het niet meer uithoudt en de pijn je te zwaar wordt. Want:
‘Altijd zul je … mijn liefde voelen en bij alle ellende nog de
zoetheid smaken met Mij één te zijn in liefde. Zo deed mijn Vader
met mij toen Ik zijn Zoon was. Hij liet Me in de ellende, maar Hij verliet Me
niet.’
Delen in zijn lijden om ook te delen in zijn verheerlijking, zoals Benedictus het noemt op het eind van zijn Proloog. Hadewych was echt een mens van Pasen. Goed om haar bij je te hebben in deze Veertigdagentijd…
Broeder Alberic