Ambrose Southey, de vorige algemeen overste van onze orde, dacht in 1987 zijn zwanenzang te schrijven. Na vele dienstjaren en eindeloos reizen langs alle kloosters van onze orde zou dit zijn laatste rondzendbrief zijn en het onderwerp was: liefde. Daarover tenslotte hebben de eerste cisterciënzers toch vooral geschreven, en de liefde was voor hen het grote kloosteravontuur. Terwijl de oude vader-generaal afscheid nam, was ik nog maar net begonnen met mijn kloosterleven en ik voelde me door die brief direct op een spoor gezet. Onlangs kwam ik die tekst weer tegen en graag wil ik het gedeelte wat me raakte met jullie delen.
Liefde is altijd actueel,
maar juist nu we deze maand de weg naar Pasen opgaan lijkt het me goed om de
liefde niet uit het oog te verliezen: want wat we ons ook in de
Veertigdagentijd opleggen of ontzeggen, als het niet tot liefde leidt, leidt
het tot niets. Ik laat nu verder het woord aan de oude vader-generaal.
Monniken en monialen die helemaal doordrongen zijn van het feit dat God liefde is, schijnen ons leven ook het diepst te beleven. Natuurlijk aanvaarden we allen in theorie dat God liefde is. Maar het is totaal iets anders echt doordrongen te zijn van deze werkelijkheid, er zo zeker van te zijn, dat deze overtuiging kleur geeft aan alles wat we zeggen of denken. … Zo ervaart iemand die helemaal op God -die Liefde is- gericht is, dat zijn leven wordt omgevormd. Niets schijnt te hard of onrechtvaardig, of te vernederend, daar hij zich werkelijk niet meer om zichzelf bekommert. Hij weet dat hij bemind wordt, en dat is voldoende. Natuurlijk is zulk een overtuiging zelf een gave van Gods gratis geschonken liefde, maar het is een gave die God ons graag wil schenken. … Ik kan u verzekeren dat er zeer weinig kloosters in de Orde zijn waar ik niet tenminste een paar personen gevonden heb, die doordrongen zijn van deze diepe persoonlijke overtuiging dat God liefde is.
Broeder Alberic