Groepslezingen

Groeien als groep

De vorige keer heeft Harry gesproken over gemeenschap binnen de cisterciënzer beweging en wat het betekent om allen één in Christus te zijn. Ook het gedicht 'De wijnstok' van Ida Gerhardt gaat hierover. (Zie onderaan tekst). Vanmiddag wil ik hier verder op ingaan, aan de hand van de volgende drie punten:

  1. Waar wij als CGS groep naartoe groeien
  2. Ons eigen groeiproces
  3. Ons onderlinge contact met elkaar tijdens het ‘op weg’ zijn.

1 Waar wij als CGS groep naar toe groeien

Als lekencisterciënzers willen we een gemeenschap vormen door gezamenlijke activiteiten, op de eerste plaats de bijeenkomsten op de zaterdagen. En hierbij hebben we een bepaalde bedoeling, voor onszelf, maar ook voor elkaar. Ieder van ons zal een soort van ideaal voor de groep voor ogen hebben. Misschien is dit  te verwoorden in een beeld, een woord, zin of een symbool. Hiervoor een paar minuten, om kort hier een uitdrukking voor te zoeken voor het ideaal dat je voor deze groep voor ogen hebt.

(een minuut of 3 een korte uitwisseling)

In hoofdstuk 10 van het Exordium wordt het belang van de gemeenschap voor de Cisterciënzer monniken genoemd, namelijk om liefdevol in eenheid te blijven te midden van de uitdagingen en eisen van het gewone communiteitsleven. ‘Daar zij een van hart en een van ziel zijn en alles gemeenschappelijk bezitten, is er steeds eendracht en eensgezindheid…Er is een overvloed aan verdraagzaamheid  en wederzijdse vergeving.  Het is de Geest die hen leidt om kinderen van God te zijn. De Geest die hun liefde, hun band en hun communio is’.
Zoals ook in psalm 133 te lezen valt: ‘Zie hoe goed en weldadig het is om als broeders (en zusters) samen te leven’.

Hedendaagse organisatieadviseurs spreken soms ook over een organisatie als een heilig domein. Zoals Anselm Grun in zijn boek ‘bezielend leidinggeven’ een ideale organisatie omschrijft  als:
‘Een gemeenschap van mensen
Die hun spirituele bronnen aanboren…
Om elkaar geven, elkaar vertrouwen, respecteren…
Met respect voor iedereen en alles…
Ook een plaats vol vrolijkheid, inspiratie en liefde,
Waar iedereen zich ontplooien kan,
Waar we worden aangesproken op wie we ten diepste zijn,
Waar onze ziel vleugels krijgt.’

Ook Wil Derkse, manager en organisatiedeskundige, spreekt in zijn boek ‘Een levensregel voor beginners’ over Benedictijns leiderschap, waarmee hij alle werknemers binnen een organisatie tot spirituele groei wil aanzetten.In het Exordium  wordt er echter ook gesproken over haperingen die er op de weg zullen zijn. De intentie kan helemaal optimaal zijn, maar de praktijk van alledag ziet er vaak minder gladjes uit.Ook Benedictus heeft hier oog voor, wanneer hij in de proloog over de weg spreekt die in het begin smal is en dus moeilijk begaanbaar. En in hoofdstuk 4 van de Regel spoort Benedictus de monniken aan om ‘de Heer lief te hebben met heel je hart, heel je ziel en heel je kracht en je naaste liefhebben als jezelf’ (Mt 12,30-31). Hierna volgen morele en ethische geboden, vooral over wat niet te doen, zoals niet doden, je woede niet uitleven, geen kwaad met kwaad vergelden en niet hoogmoedig zijn. Om een paar van de morele geboden te noemen.

Dit doet me denken aan de morele geboden uit mijn kindertijd, waar ik me los van heb willen maken om  de ruimte te vinden om mijn eigen weg te kunnen gaan. En het roept op zijn minst vraagtekens bij me op, zoals: hoe om te gaan met irritaties en kwaadheid. Jung spreekt in dit verband ook over onbewuste gevoelens en je schaduwkant.

Ook in het Exordium wordt gezegd dat het niet zozeer gaat om beleefdheid, afwezigheid van conflicten, het vermijden van fouten of om een louter praktische samenwerking en consensus.Maar het benoemen van de diverse morele geboden kunnen je toch wel behulpzaam zijn: namelijk om de valkuilen en moeilijkheden onder ogen te zien waar een mens in verstrikt kan komen op de weg van zijn spirituele groei. Esther de Waal wijst hierop in haar boek ‘A life giving way’. Zij beschouwt de morele geboden in de Regel als een innerlijk richtsnoer, een innerlijke gerichtheid en houding, namelijk de gerichtheid van het hart en de liefde voor God, waar ook zuster Gabriëlla in Brecht over gesproken heeft. ‘Ontdoe je hart van elk bedrog’, valt er bijvoorbeeld in RB 24 te lezen. Alleen goed gedrag van buiten is niet goed genoeg. Zonder een juiste innerlijke gesteldheid leidt zij tot automatisme en ziekt.

2 Ons eigen groeiproces

In de eerste treden van regel 7 (over nederigheid) gaat het om de relatie tot God, jezelf en de medemens. God is aanwezig bij alles wat we denken en verlangen: ‘God die hart en nieren doorvorst’ (ps 7,)  ‘U kende mijn gedachten al van verre’ (ps 138) en ‘Al mijn verlangen ligt open voor U’ (ps37). Benedictus sppoort de monniken ertoe aan om God in ons dagelijks leven gedachtig zijn en God in alles te betrekken. Dit vraagt een zorgvuldig omgaan  met onze gevoelens en gedachtes en aandachtig luisteren naar wat er in ons hart of diepste zelf leeft.

Grün wijst in zijn boek ‘Je eigen levensweg’ op het leren kennen van je diepste zelf vanuit innerlijke stilte. Het vraagt een leren kennen van alle hoeken van je hart, al mijn bewuste en onbewuste gedachtes en bedoelingen, en deze te zuiveren. En je hierbij de vraag te stellen; ‘Wat zijn mijn ware motieven?’ (Wil ik een spiritueel leven leiden om goedkeuring te krijgen van anderen?)

Vanuit de zuivering kan er weer ruimte komen voor stilte, om te luisteren naar wat er zich van binnen afspeelt en het werk van God te ervaren in je dagelijks leven en in het contact met je medemens. Zoals in psalm 1: ‘Hij is als een boom, geworteld aan stromend water, die elk seizoen opnieuw vrucht draagt’.

Maar een gewone sterveling is een mengsel van goed en kwaad, van duisternis en licht, van liefde en haat. Ondanks goede bedoelingen verloopt het contact met de mensen om je heen toch niet altijd zonder strubbelingen. Goede bedoelingen zijn dan niet zaligmakend. Je voelt je geïrriteerd, jaloers, boos, enzovoort. Anselm Grün spoort daarom ieder mens aan om ook je schaduwkanten maar toe te laten. En door bewust te worden van je trauma’s en schaduwzijden kun je ook manieren vinden om er mee om te gaan. Zoals door goed voor het gekwetste kind in jezelf te zorgen en de verantwoordelijkheid voor je eigen leven op je te nemen. ‘Terwijl God de moederlijke ruimte is waar ik me geborgen weet en ik weet heb van Zijn onvoorwaardelijke liefde’ (Grun).

In Psalm 131: ‘Verstild ben ik en gerust: geborgen als een kind bij zijn moeder. Zo ben ik, als een kind’

Dan kun je Gods genezende kracht ervaren en uit je innerlijke bron putten, om uit te komen bij ‘een ongedeerd zelf dat overeind blijft en geschraagd wordt door God’ (ps 41). De stilte kan je helpen om bewuster naar je pijn te kijken en niet bang te zijn voor datgene dat in je is. Dan kun je, ondanks alles wat ons in ons leven is overkomen, dat ongeschonden en authentieke ik herkennen, het innerlijke heiligdom waar we ons telkens weer terug kunnen trekken en waar we onkwetsbaar en heel zijn. Dan kun je ook leren om afstand en afstand te nemen van gedachtes en gevoelens waar je last van hebt en die je verhinderen om jezelf te zijn; en afstand creëren van de demonen waarover ook in het evangelie gesproken wordt.

Zoals Jezus tegen de dochter van Jairus zegt: 'Talita kumi/ meisje, ik zeg je, sta op!' Hij laat haar op eigen benen staan en de verantwoording voor haar eigen leven op zich nemen. Zij kan dan haar eigen weg gaan en bevrijdt zich van de ziek makende banden met de mensen om haar heen. Ze krijgt de kracht en moed om op zichzelf te vertrouwen en voor het leven te kiezen. Vervolgens spoort Jezus aan om haar eten te geven, om aan te sterken en hierdoor meer te genieten van het leven en van wie ze ten diepste is. (A.Grun).

Zo kun je juist in de moeilijkheden en pijn je eigen levensweg ontdekken. (Zoals ook in de laatste PN te lezen viel in ‘Een onbeantwoord gebed:… ik vroeg om liefde en God gaf me mensen met moeilijkheden’. En wanneer je steeds meer je levensweg ontdekt, kun je je ook meer vrij en open gaan voelen naar je medemens. Je leeft volgens de roeping in jezelf en niet langer volgens de verwachtingen van anderen. Dit is ook de basis om meer contact met elkaar te maken. En je wordt vrij om ook de diepste roeping van de ander te ontdekken.

3. Ons onderlinge contact tijdens het ‘op weg’ zijn.

Zoals gezegd is het ook voor een gemeenschap als geheel goed om de ogen open te houden en om spanningen en problemen onder ogen te zien. Betekent dit nu dat je je gevoelens maar zo veel mogelijk naar elkaar moet uiten? Of is het meer een innerlijk proces, zonder dat je vanuit je schaduwkanten naar de ander hoeft te handelen? Ook Benedictus houdt in RB 6  rekening met negatieve gevoelens die opgeroepen worden door ongunstige omstandigheden en door kwetsende mensen. Het hoort bij het rijpingsproces dat we in contact komen met onze gevoelens en ermee leren omgaan, maar hij gebiedt vervolgens de monniken om te zwijgen en het geduld te bewaren. Hierdoor komt er ruimte om naar de emoties te kijken en ze te verwerken. Maar de monniken mogen hun gevoelens geen geweld aandoen of onderdrukken, want juist in moeilijke omstandigheden liggen kansen om verder te groeien en te veranderen. Vanuit acceptatie en protest, overgave en strijd, kun je leren met tegenslagen om te gaan en je hart te zuiveren

Op het moment zelf dus zwijgen, maar wel raadt Benedictus aan om gevoelens tegen de abt of een medebroeder of vriend uit te spreken of op een andere manier vorm te geven, door ze op te schrijven of door gezang te uiten. Hierdoor kun je je schaduwkant meer objectiveren en je bevrijden van de macht van negatieve gedachten en gevoelens. Het doel van de innerlijke weg is uiteindelijk de liefde die alle vrees verdrijft. Liefde tot God, tot je medemens en de hele kosmos om je heen: ‘Om de Heer lief te hebben met heel je hart, heel je ziel en heel je kracht en je naaste liefhebben als jezelf (Mt 12,30-31).

Hoe dan ook, een gemeenschap is altijd in beweging, een plek om te kunnen genezen van je trauma’s en te kunnen groeien naar heelheid en innerlijke bevrijding; om jezelf te zijn en voor je medemens een broeder of zuster. Hierdoor is er de groei naar een echte gemeenschap: eenheid in verscheidenheid. En dan kan de gemeenschap ook uitstralen naar buiten en bijdragen aan een betere wereld, met meer gelijkheid, hoop en vrede.

(Hierna werd de tekst in kleine groepjes besproken, aan de hand van enkele vragen)

Het gedicht De Wijnstok van Ida Gerhardt

De Wijnstok

Het was de hovenier,
die in het vroege licht,
de ranken heeft gericht,
diep in elkaar verward,
vervreemdend van het hart,
de wortelstok.

Geen zag wat zich voltrok
in het zeer vroege licht.
Hij raakte hen slechts aan:
zij zijn vaneen gegaan,
ontbonden,
ontwonden.

Het was de hovenier.
Verwonderd, in het vroege licht,
gescheiden, ongescheiden
de door zijn hand geleide
hartranken.
            -Aan ons beiden
hebt gij het, God, verricht.

Ida Krijnen, 13 oktober 2007

< terug naar het overzicht

armoede, gehoorzaamheid, zuiverheid Cisterci&eumlnzergroep Sion