Groepslezingen

Kralen van contemplatie

Op deze zaterdag in mei ben ik aan de beurt en, het is lente!

Contemplatie, daar gaat het vandaag over. Het betekent overpeinzend beschouwen, volgens Van Dale. Antonius wilde niet leren lezen om zo beter van zijn medemensen te kunnen leren. Uit de film "Samsara" werd me deze gedachte aangereikt: 'Alles wat je tegenkomt is een mogelijkheid om de weg te vinden.'

Weet je wat, dacht ik, ik ga gewoon op zoek, meer niet; kijken wat ik tegenkom zo buiten de muren. Een kralenketting is het geworden, een verzameling, gevonden in het zand van de tijd.

Kraal één

Een tijdje geleden zat ik tv te kijken. Op de BBC was een programma dat ging over het ontstaan van onze planeet, onze blauwe planeet, de eenzame planeet noemden ze haar. In een razend knappe animatie liet men zien, hoe miljoenen jaren geleden twee planeten door het heelal suisden. Het toeval wilde, dat ze in botsing kwamen. Ze versmolten tot één. Dat werd onze aarde.

Door die botsing moeten er processen op gang gekomen zijn die water lieten ontstaan en lucht en leven; primitieve cellen begonnen zich te vermenigvuldigen. Terwijl ik zat te kijken bedacht ik, dat ik die beelden, of in ieder geval gelijkende beelden eerder gezien had: een eicel wordt bevrucht door een zaadcel! Met een schok bedacht ik dat ik rechtstreeks naar Gods hand zat te kijken, naar de almachtige, ssst. Ik ben erg zuinig op die naam, in mensenmond lijkt hij snel te slijten.

Kraal twee

De eerste stenen huizen, die mensen bouwden, waren niet voor henzelf. Het waren godshuizen, tempels.
Dat is wel héél lang geleden…

Kraal drie

Er was eens een klein meisje, vier jaar, ouder niet. In die tijd bestond in hun gezin de gewoonte om in de meimaand ’s avonds voor het naar bed gaan te bidden en te zingen bij Maria, ons aller moeder; kaarsen aan, omgeven door jampotjes gevuld met door de kinderen geplukte veldbloemen. Terwijl de ouder, broer en zus gebeden prevelden: 'wzgegrtmriavolvgnade…', staarde het meisje in de kaarsvlammen en zag bloemen, beeltenis en vlammetjes tot eenheid smelten…

Ineens veerde ze op en riep: "Ik weet het, ik weet het, 'dag Maria' zeggen jullie." Haar oudere broer lachte haar uit, maar de ouder zei: 'Ja, je hebt gelijk, meisje.'

Wie kent dit lied nog, laten we het samen zingen: Gekomen is uw lieve mei, Maria.

Kraal vier

In een land hier ver vandaan liep een kleine monnik, zijn lopen was dansen. Voor hem uit liep zijn oude leraar net als hij, met een mooie ronde kale schedel en in een oranje doek kunstig om het lichaam gedrapeerd. Af en toe keek de oude man om en glimlachte. In het landschap waardoor zij liepen, op weg naar het dorp om hun maaltijd bij elkaar te bedelen, zo hoorde dat daar, stond een grote boom. Toen het kind langs de boom kwam, pakte hij een blad van de grond, dat van die boom was gedwarreld. Al huppelend scheurde hij behoedzaam het groen van het blad, alleen de nerven liet hij over, hij bekeek het resultaat. Dan draaide hij zich om en hield het overgebleven bladskelet voor zich uit: het paste precies op die boom die hij gepasseerd was. Hij lachte en vervolgde zijn weg. De oude man had alles gezien, glimlachte en ook hij vervolgde zijn weg naar het dorp om de maaltijd bij elkaar te bedelen, zoals in dat land de gewoonte was.

Kraal vijf

Een boom geeft zich in vertrouwen over aan de wind die zijn takken teistert.

Kraal zes

Zegt iemand: 'Nee, ik ben niet gelovig.'
Even later: 'Als ik muziek van Bach hoor, dat is zo goddelijk... Vooral de Matteuspassie, daar ga ik ieder jaar naar toe, ja, in Naarden.'

Kraal zeven

In de verloskamer ligt een jonge vrouw in barensweeën. Ze heeft het zwaar, 'in labour' heet het in het Engels, 'aan het werk'. Het is haar eerste keer. Haar man heeft ze naar huis laten gaan, het kan nog uren duren en ze moet het toch zelf opknappen, alleen. Alleen? Hoog aan de verder kale muur in een hoek ontdekt ze tussen de steeds terugkomende weeën door, een klein Mariabeeld. Er lijkt zich een gesprek te ontwikkelen tussen vrouw en vrouw. 'Ja, jij kan makkelijk glimlachen daarboven.'

Even later:
'Jij kent dit, hè?! Ja jij hebt ook een kind, ik weet het.'

Na een tijdje:
'Fijn dat je er bent; mannen hebben hier toch niks mee, die zijn met echt belangrijke zaken bezig', ze moet zelfs een beetje lachen om zichzelf.

Weer later:
'Als jij die man van jou tegenkomt, vraag hem dan, als ie even tijd heeft, dat dit kind hier', en ze wijst op haar gespannen, bolle buik, 'gelukkig wordt.'

Praten, denken houdt op. Of ze door het vuur moet, door een donkere, verstikkende gang, door kolkend water, over doorns moet lopen, ’n alles omvattende pijn. Het kind wordt geboren, het is een meisje. De vrouw kijkt, terwijl iedereen druk bezig is met haar, en het kind, even naar die hoek: 'Dank je, dat je d’r was.'

'Kijk eens wat een mooi meisje', zegt een verpleegster, en legt het op de buik van de gelukkige moeder.

Kraal acht

Leg je handen op tafel; voel hoe je handen de tafel raken. Nu leg je de rechterhand op de linker. Je voelt nu de tafel met je linker en je rechterhand die op je linker ligt. Ook voel je met je rechterhand je linker. Knijp nu met die rechterhand in je linker, zo hard mogelijk, zo hard als je wilt, en voel de pijn. Leg nu je rechterhand op de linkerhand van degene die naast je zit. Voel die hand en voel hoe jouw linker de hand voelt van degene aan jouw linkerkant. Heb je nu zin om in de hand van de ander te knijpen, echt zo hard als je zelf kneep? Zo, en nu de vredeswens.

Kraal negen

Er zijn vissen die heel diep in grotten onderin de zee wonen. Ze zijn blind, immers, ze hebben niets aan kijken daar in het stikkedonker. Nu blijkt, dat als je een vis uit één grot kruist met een vis, een blinde vis daar ver vandaan, de visjes die daaruit voortkomen, kunnen zien!

Kraal tien

Je voelt je vreselijk, je zit er helemaal doorheen.

Je rijdt met je auto door het uiterste, noordelijke puntje van Nederland. Kleine, smalle, kronkelende wegen volg je bijna onbewust. De kronkels die die oude wegen volgen zijn  ontstaan door de zich terugtrekkende zee eeuwen geleden, toen grijze monniken zich te blubber werkten tot hun enkels in de klei om land te winnen.

Je passeert de binnendijk, het land erachter strekt zich uit tot de zeedijk. Je rijdt door tot die zeedijk, het dijklichaam zeggen ze. Het lijkt of een kunstenaar een weiland omhoog heeft geklapt en er als versiering madeliefjes in heeft gestoken. O ja, hij heeft ook niet vergeten te zorgen, dat er net een schaap over de dijk komt kijken.

Je stopt je auto, je stapt uit, nog steeds verstrooid. Dan klim je over die dijk, er opent zich iets in je, je ademt diep de zilte lucht in. Je loopt naar beneden, zoekt een route die niet vastloopt op een priel, zo heten die watertjes die daar lopen. Gras wordt klei. Duizenden vogels vormen een immens koor. Zo nu en dan vliegen er een paar honderd op als een natuurlijk ballet om daarna weer rustig neer te strijken. Je trekt je schoenen uit en je voelt hoe zacht en aangenaam van temperatuur de klei is waardoor je loopt. Tedere wolkenrijen leunen over het wad en het lijkt of je ze als je je uitstrekt zou kunnen aanraken. Dieper adem je de zilte zeelucht in.

Op de klei waardoor je loopt, zie je overal de sporen van vogels die er vóór jou liepen. Je raapt een veertje op. Je wordt alsmaar kleiner, lijkt het. Je gaat zitten op een paaltje van de vlechtrand die klei gaat vasthouden de komende jaren.

Weg ben je, opgelost.
Hoe lang zat je daar? Geen idee. De prielen gorgelen. Zachtjes lopen ze voller: de vloed komt op.
Met een zucht sta je op en je realiseert je hoe ver je gelopen bent; je moet ook weer terug.
Je pakt een stok die een vorige vloed meebracht.
'Uw stok en staf zij geven mij moed', is ineens in je hoofd…
Als je in je auto stapt, ruik je naar zee en de klei die tussen je tenen kleeft.
Je weet niet meer, wat je zo bedrukte lang geleden. 

Kraal elf

Als ik een stad kies is het Amsterdam. Ik wil het hebben over de ultieme plek om tot contemplatie, overpeinzende beschouwing te komen. Zo nu en dan pak ik de trein naar Amsterdam. De laatste keer dat ik daar was wilde ik eigenlijk naar het museum. Toen ik de lange rij wachtenden zag, besloot ik mijn plan te laten varen. Ik pakte een stoeltje op het Museumplein bij zo’n broodjestentje, waar ik een kop melk en een sandwich gehaald had. Op m’n gemak, want waarom niet, begon ik om me heen te kijken. Alle soorten mensen zie je daar, alle kleuren, alle standen, verdwaasde mensen, zelfingenomen mensen, mooie, lelijke, jonge, oude, gehaaste, ongelukkige, verliefde, verdwaalde.

’n Oude vrouw vraagt me waar de Van Baerlestraat is. Ik wijs haar over het gras in de verte het Concertgebouw aan. 'Daar is ie'.'Over dat smalle pad?' 'Ja', zeg ik en ze loopt in gedachten richting Concertgebouw over het smalle pad. Ik zie er voor die vrouw uit als iemand die hier bekend is bedenk ik en ik heb niet eens mijn hondje bij me. Zo af en toe je verliezen in de mensenmassa, voelen dat je net als zij een deel bent van wat mens is, altijd onvolledig en erg onbelangrijk per stuk. Jaren geleden, overpeins ik, liep ik zo in Boston. Het duurde toen even voor ik wist wat mijn stad Amsterdam miste; hier in Boston waren er zoveel als ooit in Amsterdam: Joodse mensen. In Boston was de heer Hitler niet geweest…

Ik loop in Amsterdam, Keizersgracht, Prinsengracht, Jordaan. Een tijdje geleden, toen ik ook hier was, ging ik voor een tentoonstelling in de Nieuwe Kerk bij de Dam. Het was een prachtige tentoonstelling 'Spiegel der Natuur'. Die ging over de verschillende manieren waarop alle culturen, zo lang er mensen zijn, de natuur ervaren. Je kon zien hoe onverbrekelijk wij mensen verbonden zijn met die natuur, er deel van uitmaken, erg religieus ook. De ijverige grijze monniken kwam ik er tegen, waarom ze de Groningse klei vorm gaven in de middeleeuwen: in de willekeur van de natuur zat de duivel en die moesten ze bevechten. En dat midden in deze grootse stad een paar jaar geleden.

Als ik terugloop naar het station koop ik een stuk meeneempizza. Op de kop van het Rokin staat een bank. Daarop ga ik moe maar voldaan zitten. De scholen gaan uit, dat zie ik aan de ouders die kinderen bij zich hebben, opgehaald van school of dagverblijf. Ik overpeins al mijn indrukken van de dag, dankbaar. Dan schrik ik op:

'Dit is mijn bank', zegt een stem en ik kijk in het gezicht van een zwerfster.
'Ik neem hem echt niet mee hoor', antwoord ik.
Ze ploft naast me neer.
Ik pak mijn pizza uit. Zij opent haar roltas en zij blijkt eenzelfde zak te hebben met pizza:
'Als die ene dienst heeft, krijg ik altijd een stuk van hem; jij hebt vast moeten betalen', en ze neemt een hap.
'Smakelijk eten', zeg ik en ik krijg een brede lach toegeworpen.

Ze mist een tand en automatisch gaat mijn tong langs de stifttand in mijn eigen mond. Als ik opsta om naar het station te gaan zeggen we elkaar gedag. Ze neemt pontificaal de hele bank in beslag met drinken, een appel en nog wat zaken na een grote zakdoek te hebben uitgespreid. Onderweg bedenk ik dat ik even het gevoel had dat ik in een wonderlijke spiegel mezelf zag daar op het Rokin. Wat is het verschil tussen een zwerver en een pelgrim?

Kraal twaalf

Dit verhaal speelt in Zambia. Daar mocht ik 1973 een jaar met man en kinderen verblijven voor een project. Het dorp waar wij woonden heet Minga en lag in een vallei waardoor een riviertje kronkelde. Ons optrekje bestond uit een simpele schuur, zo zou je dat gebouwtje hier noemen. Het dak was van golfplaat; als het regende, en het kon er regenen, kon je elkaar niet verstaan, zoveel kabaal veroorzaakte zo’n stortbui op het dak. Ik heb een keer een paar onderwijzers, die ons bezochten, ontzettend aan het lachen gekregen, het ging zo:

'Jullie', zei ik, 'worden door ons Europeanen arm genoemd. Maar hoe zit dat dan met bijvoorbeeld de regen. Bij ons zijn dat armoedige druppeltjes, hier krijg je meteen een rivier. De zon, wij zien hem nauwelijks, vogels zijn bij ons grijs of zo, hier lijken het kostbare juwelen; vlinders, wel vier keer zo groot en zo fel en fraai gekleurd; de planten die hier slordig langs de weg staan, moeten wij voor veel geld kopen en dat staan ze bij ons in de vensterbank te verpieteren. Zal ik nog even doorgaan?' Ze schaterden het uit.

'Maar jullie hebben prachtige bruggen', zei er één.
En de volgende: 'Maar wat doen jullie aan de witte mieren die alles opeten?'
'Die hebben wij niet', antwoordde ik en weer werd er daverend gelachen. 'Dan is het ook geen kunst om zulke bruggen te bouwen.'
Ik droom nog wel eens over dat dorp.

Er was een missiepost, een kerk met drie 'witte paters', ja ze waren blank, die voortdurend bezig waren met het aanleggen van waterleidingen naar bijvoorbeeld het hospitaal. De lokale bevolking haalde water bij de put. De generator, die zorgde voor twee uur stroom ’s avonds en die steeds stukging, repareerden ze. Het ziekenhuisje werd beheerd, bevrouwd eigenlijk, door een vijftal Ierse nonnen. Er was een schooltje waar onze kinderen naartoe gingen. De dag begon er met het zingen van het volkslied terwijl de vlag gehesen werd. En zingen konden ze, mooier koren heb ik nooit meer gehoord.

Maar waarom ik dit allemaal vertel?

Contemplatie weet je wel!

De nonnen hadden in die tijd een bijzondere patient, een Zambiaanse priester. Hij had kanker en had niet lang meer te leven. Als je mensen naar hem vroeg, begonnen gezichten te stralen: iedereen hield van hem. Op een dag waren we op de thee bij de zusters. Ik vroeg aan zuster Bazil, de arts, hoe het met de bambo ging. Ook op haar gezicht verscheen zo’n stralend zachte glimlach. 'He is such a patient Patient', antwoordde ze. Er zijn dingen die je nooit vergeet. Patient betekent geduldig, realiseerde ik me, ’n geduldige geduldige…Bij zijn uitvaart later werd er gehuild en gezongen zoals alleen Zambianen dat kunnen.

Kraal dertien

2 Kor.16-18. Ook al gaat ons uiterlijk bestaan verloren, ons innerlijk bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd. De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft. Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig.

Kraal veertien

Omdat het meimaand is, Mariamaand, sluit ik af met een lied voor ons aller moeder, die geboorte en dood verenigt voor ons mensen.

Wij groeten u o koningin.

Joke Sterk, 2008

< terug naar het overzicht

armoede, gehoorzaamheid, zuiverheid Cisterci&eumlnzergroep Sion