Zolang
een mens alleen maar tegen zijn hartstochten vecht, kan
hij niet duidelijk
de zin van het gevecht onderkennen, want hij
lijkt op iemand die vecht in
het duister van de nacht. Maar wie
in zijn hart tot helderheid is gekomen,
kan de bedoelingen van
zijn tegenstander duidelijk
onderkennen.
(Praktikos 83)
Deze tekst van Evagrius nodigt me uit thuis te komen bij mezelf, terug naar het begin, terug naar mijn wortels, terug naar het begin van mijn bestaan. Terug naar mijn schepper, die mij zuiver en rein heeft geschapen, terug naar mijn oorsprong, naar het Licht waaruit ik voortkwam en waarin ik leefde voor mijn geboorte, waar alles nog puur en zuiver was, waar ik als het ware blij en vrolijk dag en nacht danste voor Gods aangezicht.
Het aardse leven, het menselijke leven confronteert mij telkens met keuzes, beslissingen, goed of kwaad, vooruit, achteruit, zorgen, opgaven, mislukkingen, bekoringen. Een mens kan terugvechten, zijn leven trachten krampachtig vast te houden of trachten zich langzaam los te laten in Hem, in de stilte te komen bij Hem als het beeld van de karaf met water. Het leven van de mens als het water in een karaf, in het leven wordt dit water troebel, het slaat dood. Door de omstandigheden van het leven zal onze karaf breken, die we zo krampachtig trachten vast te houden. Het water uit de karaf zal dan uitvloeien in de oceaan van liefde, die God is. Vanuit God vloeien we in het leven, we gaan vele zijwegen, maar uiteindelijk zullen we toch weer terugvloeien in Hem, Hij die onze oorsprong is en doel. Is het hele leven er niet op gericht en is het niet onze diepste opdracht Hem te zoeken in wie wij onze rust vinden? Of beter gezegd: is het niet de bedoeling dat we ons laten vinden door Hem, die onze enige ware Liefde is en het Licht waarin we de zekerheid vinden in ons leven?
Zijn we in deze veertigdagentijd niet begonnen op Aswoensdag met het voornemen tot meer inkeer naar Hem, die de bron is van ons leven? In het evangelie van Matteus baden we: ‘Maar als Gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bidt tot uw Vader, die in het verborgene is.’ Moge Hij onze innerlijke gids en leidsman zijn en blijven, niet alleen in deze veertigdagentijd, maar alle dagen van ons leven. Hij is ons Licht en eeuwigdurende Liefde. Waarom het nog buiten zoeken terwijl alles in ons eigen hart aanwezig is? Hij kent onze zwakheden en verlangens beter dan wij onszelf kennen.
Een tekst van Edith Stein
De mens is
geroepen een innerlijk leven te leiden en zichzelf van binnenuit te besturen.
Alleen van binnenuit kun je een goede verhouding vinden tot de wereld die je
omringt; alleen van binnenuit kun je de plaats in de wereld vinden die jou
toegedacht is. Hoe belangrijk dat ook is, je kent je eigen innerlijk nooit
helemaal. Het innerlijk is een mysterie dat aan God toebehoort. God alleen kan
het ontsluieren, in de mate waarin Hij dat wil. Toch heb je dat innerlijk
toevertrouwd gekregen, om er in alle vrijheid iets mee te doen.
Maar je
hebt ook de plicht het te behoeden, als een kostbaar bezit dat je gekregen
hebt. In de geestelijke wereld wordt aan het innerlijk een bijzondere waarde
toegekend: engelen hebben de opdracht het te beschouwen, boze geesten proberen
er macht over te krijgen. God zelf heeft het innerlijk van de mens gekozen om
er te wonen. De engelen waken met eerbied en huiver over dat besloten
heiligdom: ze proberen de ziel van de mens ertoe te bewegen zich daar bij God
terug te trekken. Maar de ziel mag daar zelf de beslissing over nemen. De
persoonlijke vrijheid is een groot geheim, zelfs God maakt daar geen inbreuk
op. God weet wat er in het hart van de mens omgaat, Hij kent de diepste gronden
en afgronden van de ziel, die de ziel zelf niet kent, tenzij God haar bijlicht.
Maar God wil geen bezit nemen van de menselijke ziel als zij dat zelf niet
wil.
De oorsprong van de ‘templum’ ligt waarschijnlijk bij Etruskische ‘augures’. Een augur was een priester of vogelwichelaar in het oude Rome. Zijn taak was het waarnemen van de ‘auspicia’ (auspiciën: vogelschouw; avis=vogel, spicere=zien). Hieronder verstond men: het bepalen van de wil der goden aan de hand van de vlucht van de vogels. Met hun staf bakenden de augures een stuk aan de hemel en een stuk op aarde af, waarbinnen ze de vogels bekeken. Deze ruimte werd ‘templum’ genoemd. In het begrip ‘contemplatie’ is het woord templum nog te horen.
Ja, hoe gaat dat, gaat dat vanzelf, doe ik dat zelf, ben ik zelf de God van mijn leven, of ben ik eerder de schaduw die het Licht tegenhoudt, heb ik mijn eigen koninkrijk, waar vooral ‘mijn wil is wet’ hoog in het vaandel staat. Zoek ik werkelijk het Licht, de stilte, het geheim van Gods Liefde voor mij? Of wat heeft mijn woede mij te vertellen, mijn snoep- en eetlust, mijn behoefte om gezien en gehoord te worden, mijn jaloezie en haat, mijn seksuele driften, mijn betweterig zijn en behoefte om altijd gelijk te hebben, mijn ziekelijke drang naar bezit. Al deze dingen roeren zich in mij, ze maken mij duidelijk dat ik een gewoon mens ben van vlees en bloed, een aardse mens met behoeften, begeerten, verlangens, hartstochten, driften, goede en minder goede eigenschappen en geen hemels schepsel, gewoon mens. Een mens moet het hiermee doen in zijn leven. Het zal mijn deur niet passeren. Ik kan er verdrietig om worden, als ik weer het slachtoffer van mijn passies ben. Ik kan er ook een ander de schuld van geven, of me laten meeslepen door al deze bewegingen en me er door in vuur en vlam laten zetten.
Dit alles zal me echter geen rust geven, noch mezelf leren kennen. Nee, ik zal soms terug moeten treden, de eenzaamheid opzoeken, me in de stilte begeven om te luisteren naar het suizen van de wind, de stilte in mijn hart. En bekennen dat ik een arm mens ben, dat uit zichzelf niet tot veel in staat is, zich klein zal moeten maken, zich overgeven en geheel gericht zijn op de Ene, die werkelijk mijn Licht is en mijn Leven en die mijn hart tot helderheid wil brengen. Hoe moeilijk is dat, want telkens weer wil mijn ego het overnemen en denk ik dat ik het zelf kan, zelf een klein Godje ben of een afgod zoek. Maar dan gebeurt er weer iets in mijn leven als ik zelf de macht wil overnemen. Ik word ziek of krijg met tegenslagen te maken. Dan wil ik God wel weer zoeken. Wanneer zal ik eindelijk eens inzien dat ik ook in goede tijden me klein mag houden onder Zijn hand, me mag overgeven aan Hem?
Een tekst van Augustinus
Het is beter ook onze
gerechtvaardigde woede niet binnen te laten, want als ze eenmaal binnen is, is
het heel moeilijk ze de deur te wijzen. Houd je ze tot de avond bij je en laat
je ‘de zon ondergaan over je woede’, wat sint Paulus verbiedt, dan
wordt ze haat en raken we ze niet meer kwijt. Onze woede vindt voedsel in
duizend en één redeneringen, want iemand die kwaad is, houdt zijn
woede nooit voor ongerechtvaardigd. Daarom is het beter niet toe te geven aan je
woede, ook niet met mate of op redelijke wijze. Worden we erdoor verrast, dan
kunnen we ze beter snel verdrijven dan het ermee op een akkoordje te gooien.
Maar hoe verdrijf je je woede? Zodra je haar voelt opkomen, moet je je
onmiddellijk verweren, niet heftig en met geweld, maar rustig en toch serieus.
In elk geval niet zo als wel gebeurt tijdens zittingen van het parlement of de
rechtbank, als de deurwaarders om stilte beginnen te schreeuwen, en zo meer
lawaai maken dan de mensen die ze tot zwijgen willen brengen. Je kunt beter
Gods hulp inroepen als de woede in je opkomt; doe zoals de apostelen op het
door de storm opgejaagde meer: Hij zal de storm van onze hartstochten bezweren
en dan zal er een diepe stilte zijn.
Tot helderheid komen, een stapje terug doen, om werkelijk te gaan zien wat er in mijn leven gebeurt, en vanuit die veilige schuilplaats kijken, welke vijanden mij aanvallen, tot onderscheiding komen, vanuit het oog van de orkaan, of als een diepzeevisser alle bewegingen en beroeringen in mijn hart waarnemen. Door ervaring leren zien hoe, wanneer en door wie ik aangevallen word; welke vijanden, bekoringen, aanvechtingen en hindernissen zijn dat? Zal dat geen helderheid in mijn leven geven, als ik dat leer onderscheiden?
Mediteren als bergrots. Stenen, sneeuwbuien, onweer en hagel. De berg wordt van alle kanten aangevallen, maar de bergrots blijft op zijn plaats. Soms val ik stil en word me bewust van mezelf. Ik luister naar mijn ademhaling, die is als een ankerpunt. Ik verdring niets en wil ook niet overspoeld worden door emoties en gevoelens. Ik luister en tracht telkens weer terug te gaan naar mijn ademhaling als een veilig thuis. Met een open, milde en niet-oordelende aandacht. En lukt het niet, geen punt van maken. Ik doe even een bodyscan, luister naar wat mijn lichaam mij te zeggen heeft. En zo worden in stilte mijn schijn, mijn zelfbeeld en illusies ontmaskerd en kom ik thuis bij mezelf, in het licht van God.
Beeld: Ik loop mee in een optocht. Ik zie alleen mijn buurman. Ik besluit me terug te trekken om meer te gaan zien. Als de contemplatief die zich terugtrekt uit de wereld, om zichzelf en die wereld helderder te gaan zien. Ik trek me dus terug uit de optocht waar ik alleen mijn buurman zag. Ik ga op een berg zitten en zie de hele optocht aan me voorbijtrekken. Een bonte stroom van kleurrijke en minder kleurrijke personages en velerlei schouwspelen. Ik zie nu begin en einde, oorsprong en doel, alles zie ik in één beeld. En dan begint het te dagen en mag ik in een flits de zin en essentie van het leven zien. Dit kan ook gebeuren als ik wandel en dan de bomen zie, het gefluit van vogels hoor, het ontluikende groen bespeur en het suizen van de wind voel. Als ik hierdoor mijn Schepper mag ontwaren, zal ik in een flits heel het leven, mezelf incluis, anders gaan zien.
Een tekst van Thomas Merton
Bekentenis
Ik erken dat ik
onder een dennenboom zit en absoluut niets doe. Al een uur lang heb ik helemaal
niets gedaan en ik ben vastbesloten nog voor onbepaalde tijd door te gaan met
nietsdoen. Ik heb mijn schoenen uitgedaan. Ik erken dat ik naar een spotlijster
heb zitten luisteren. Ja, ik geef toe dat het een spotlijster is. Ik hoor hem
zingen in die cederboom, en het spijt me. Wellicht is het mijn schuld. Hoor, nu
zingt hij opnieuw. Zulke zaken gebeuren hier voortdurend. Waar ik me ook bevind,
altijd raak ik verwikkeld in dergelijke reactionaire complotten.
Tot helderheid komen. Door de donkere nacht van ongeloof en innerlijke strijd, Licht gaan zien, waardoor ik al het donker in mezelf, als schaduwdeeltjes mag gaan zien, die mij duidelijk maken dat ik mens ben, maar dat er Iemand is die mijn leven bestuurt, mij vasthoudt en mijn leven leidt. Zal ik nog bang zijn in het donker, wetend dat Iemand mijn hand vasthoudt?
Zoals de Gentse Begijn Claesinne van Nieuwhart (1550-1611) zegt: ‘Men moet zijn zoals een steen die in ’t diepst der zee geworpen is. Die laat alle golven en stromen over zich heen gaan en blijft daar onbeweeglijk liggen. Zo moet ook de mens zijn: van alles wat hem overkomt, zal hij niets tot zich trekken of daar in leven, of hij nu omhoog getrokken wordt of naar beneden. Van alles wat in de geest is of in de natuur, moet de mens ontbloot worden, opdat het daar alleen God zal zijn.’
Van oppervlakte-interpretatie naar diepte-interpretatie, het doorstoten naar mijn binnenkant. De lotus bloeit in de modder, zegt men in het oosten. En Paulus schrijft in een van zijn brieven: ‘Wij weten dat voor wie God liefhebben, Hij alles doet meewerken ten goede (Rom.)
Door broeder Paulus, maart 2007